Arrestatie in Klein Groningen

Opsterlandse compagnonsvaart Donkerbroek

Opsterlandse compagnonsvaart Donkerbroek

Hierboven een foto van de Opsterlandse compagnonsvaart in Donkerbroek zoals de situatie nu (2016) is. Die vaart liep in het jaar 1807 nog niet zover door als nu. Verderop richting Appelscha was men nog bezig met het uitgraven en het heeft nog lang geduurd voordat de aansluiting op de Drentse hoofdvaart werd gerealiseerd, omdat de Friese regenten dat lang hebben tegengehouden. Pas rond 1890 kwam deze verbinding tot stand. De vaart in Donkerbroek lag er in 1807 hooguit ook nog maar 20 jaar en liep vanaf Gorredijk via Lippenhuizen, Hemrik en Wijnjeterp naar Donkerbroek. Ongeveer bij de grens van Opsterland en Ooststellingwerf maakt de vaart een bijna haakse hoek richting Donkerbroek. Dat is bij het buurtschap “Klein Groningen” dat bij Wijnjeterp (nu Wijnjewoude) hoort.

Klein Groningen

Klein Groningen

De onderstaande geschiedenis in september van het jaar 1807 speelde zich af op een aantal locaties langs de vaart met een prominente plaats voor Klein Groningen. Langs de vaart in Donkerbroek lagen in dat jaar een aantal bulten (stapels) met gezaagd hout. Die waren van Lense Jans, ongeveer 55 jaar oud, koopman in Oosterwolde, Hendrik Roelofs, ongeveer 50 jaar, huisman in de Veneburen onder Makkinga, Jan Theunis, ongeveer 52 jaar, huisman in Makkinga, Willem Roelofs, circa 58 jaar, huisman in Nijeberkoop, Pier Egberts, 64 jaar, huisman in Duurswold onder Langedijke en Durk Jans Blok, 58 jaar, huisman in Makkinga. De laatste twee hadden hun hout verkocht aan de koopman Lense Jans, maar het moest nog officieel worden overgedragen.

Harmen Folkerts, ongeveer 28 jaar oud, woonde in bij zijn moeder Trijntje Joukes de weduwe van Folkert Klazes, die een herberg aan de vaart in Donkerbroek had. Op zaterdag 26 september 1807 kwam daar een schipper langs die met zijn schip in de vaart lag, aan de noordkant van de houtbulten. Die schipper wilde hout kopen en vroeg Harmen naar de prijs. Harmen verwees hem naar Lense Jans, die ook in de herberg van zijn moeder aanwezig was. Samen met Rinse Jacobs uit Donkerbroek waren Lense en de schipper langs de houtbulten gelopen, maar Lense kon het niet eens worden met de schipper over de prijs. Lense was daarop naar huis gegaan. De schipper ging ’s avonds ook weer naar zijn schip. Toen Harmen de volgende zondagmorgen was opgestaan zag hij dat het schip niet meer bij de houtbulten lag, maar aan de overkant van de vaart. Die morgen voer de  schipper weg. Daarna kwamen Jan Lenses en Jan Tiemens, zoon en knecht van de koopman Lense Jans, langs. Met z’n drieën liepen ze langs de houtbulten en ontdekten dat er hout miste van de bulten van Pier Egberts, Durk Blok, Hendrik Roelofs en Willem Roelofs. De drie jongemannen zagen duidelijk dat er afdrukken van voetstappen in de grond stonden vanaf de houtbulten naar de vaart. Vader en werkgever Lense Jans werd gewaarschuwd en Lense ging direct zelf naar Donkerbroek. Ook Lense zag dat er hout miste en tevens de voetstappen richting de vaart.

Dit liet Lense er niet bij zitten, hij had zo’n idee wie dat gedaan kon hebben en hij ging samen met Harmen Folkerts op pad langs de vaart. Ze gingen richting Wijnjeterp want richting Appelscha liep de vaart immers dood. Iets ten zuiden van Klein Groningen zagen ze de schuit liggen van de schipper die belangstelling voor het hout had getoond. Dat was in Wijnjeterp en Lense ging direct door naar de dorprechter van Wijnjeterp, Roel Hendriks, oud 58 jaar. Roel moest mee en ze trommelden ook de 40 jarige Jan Rinses, extraordinaris adsistent /biesjager, zeg maar veldwachter, uit Duurswoude op. Het gezelschap ging terug naar de vaart bij Klein Groningen. Daar werd Kornelis Remmelts, ongeveer 43 jaar oud, opgehaald. Gezamenlijk gingen ze naar de schipper. Lense Jans kwam net iets later aan. De gezagsdragers vroegen aan de schipper wat hij in zijn schip geladen had.

Volgens Harmen Folkerts had de schipper eerst gezegd dat het schip leeg was, maar daarna dat hij door hem gekocht hout had geladen. Tegen de anderen zei de schipper dat hij hout had geladen. De heren wilden dat hout wel eens zien. Dat deden ze vervolgens. Lense Jans arriveerde ook en hij kwam tot de conclusie dat dit hout gestolen was in Donkerbroek. Lense zei: “Vat hem (de schipper) maar”, wat de gezagsdragers vervolgens dan ook deden. De schipper probeerde nog wel van het schip te springen en er vandoor te gaan, maar hij werd tegengehouden en “geapprendeheert” (gearresteerd). De schipper riep: “Och koopman, ik wil het u wel dubbelt betalen”. Sommigen hoorden hem ook nog roepen “laat mij los”.

Van loslaten was echter geen sprake, de schipper werd meegenomen naar de herberg “Klein Groningen”, waar Kornelis Remmelts herbergier was. Ook het schip werd daar naar toe gesleept. De lading werd nog eens goed nagekeken en Harmen Folkerts zag dat het hout in het schip van dezelfde kwaliteit was als die van het vermiste in Donkerbroek. In het schip vond men volgens Lense 16-duims eiken leverantiehout, eiken en berken vaamhout en winkelhout. De schipper werd overgedragen aan het gerecht van Opsterland en verdween in Beetsterzwaag achter slot en grendel.

De volgend dag, maandag, kwamen andere gedupeerden kijken in Donkerbroek. Pier Egberts miste zo ongeveer 3000 stuks winkelhout. Durk Jans Blok miste ook winkelhout evenals Hendrik Roelofs en Jan Theunis. Jan Theunis vermoedde dat er ook iets van zijn vaamhout was verdwenen. Behalve Durk Blok zagen deze mannen ook allemaal de voetstappen van de houtbulten naar de vaart. Volgens Hendrik Roelofs was het daardoor zeer waarschijnlijk dat het vermiste hout in een schip was geladen.

Willem Roelofs ging nog ietsje verder, hij miste 16-duims eiken leverantiehout en wat vaamhout. De voetstappen zag hij ook en Willem ging zelf kijken in het schip bij Klein Groningen. In het ruim vond hij een stuk vaamhout waarop met teer zijn initialen W.R. waren geschreven. Willem had zelf die markering aangebracht op het hout en dat lag daarvoor op zijn houtbult bij de vaart in Donkerbroek.

Die maandag 28 september 1807 was het een drukte van belang in de rechtkamer in Beetsterzwaag. Alle betrokkenen kwamen langs en ze werden gehoord. Hun verklaringen werden vastgelegd in het Opsterlandse informatieboek. Een samenvatting van die verklaringen staat hierboven. Als laatste werd ook de schipper gehoord. Dat was Lammert de Winter, 33 jaar oud, wonende in Harlingen. Hij verklaarde dat hij inderdaad op zaterdag 26 september in Donkerbroek was geweest en dat hij daar had aangemeerd aan de vaartswal dicht bij de houtbulten. In de herberg had hij gevraagd naar de eigenaar van het hout, hij wilde mosselhout kopen. Met de koopman (Lense Jans) was hij het hout gaan bekijken. Lammert had gevraagd naar de prijs van middelhout en mosselhout. Maar hij vond de vraagprijs te hoog. De koopman vroeg 25 gulden voor duizend stuks. Lammert had eerst 16 gulden geboden, later had hij het bod verhoogd naar 17 gulden en 13 stuivers. Tot een deal kwam het echter niet, ze gingen terug naar de herberg. Na enige tijd daar gezeten te hebben ging Lammert terug naar zijn schip. Later op de dag probeerde hij het nog eens, maar ook toen kon hij het niet eens worden met de koopman. Aan het eind van de dag was hij nog een derde keer naar de herberg gegaan, deze keer om melk te kopen.

Toen hij met de melk weer naar zijn schip liep ontmoette hij een boer die een ronde hoed op had en een “zwart pijen rokje” droeg, wiens naam Lammert niet wist en ook niet diens woonplaats. Ze spraken over de mislukte koop. Die boer had echter nog wel twee voer hout liggen, bestaande uit 50 sonderthouten en ongeveer 1000 leverantiehouten en verder nog wat winkelhout. Deze boer vroeg 14 gulden en ze accordeerden voor 12 gulden en vijf stuivers. Voorwaarde was wel dat de boer het hout de volgende dag (zondag) bij Klein Groningen zou afleveren. Die zaterdagnacht was zijn schip de vaart overgedreven. De volgende morgen was Lammert tussen half vijf en vijf uur naar vlakbij Klein Groningen gezeild. In de loop van de morgen kwam daar ook die onbekende boer, die het hout op twee aan elkaar gekoppelde wagens, getrokken door twee bruine paarden, had geladen. Ze hadden het hout van de wagens in het schip geladen en schipper Lammert had betaald met alleen maar “zestehalven”. Daarop was de boer weer vertrokken richting Donkerbroek, uit welke richting hij ook was gekomen. Lammert was met zijn schip tot in de namiddag bij Klein Groningen blijven liggen. Toen kwamen er enkele mannen langs die hem hadden gearresteerd.

Conclusies kun je uit de verklaringen van de getuigen en de “confessie” van de schipper nu nog niet trekken. De papieren werden naar Leeuwarden gestuurd, naar het Hof van Friesland.

Wat ik alvast wel kan concluderen is dat er in het buurtschap bij de scherpe bocht in de Opsterlandse compagnonsvaart onder Wijnjeterp een herberg stond die “Klein Groningen” heette. In 1807 was Kornelis Remmelts daar herbergier. Volgens een artikel op Wikipedia is de naam van het buurtschap ontstaan omdat er Groningse turfstekers in dat gebied gingen wonen. Daarvan heb ik zelf echter geen bewijs gevonden. Wanneer de herberg is gebouwd is niet helemaal duidelijk, in 1807 stond hij er dus al en volgens het boek Opsterlân van S.J. van der Molen, pag. 177, was het graven van de vaart in 1783 gevorderd tot de grens van Opsterland en Ooststellingwerf, wat vlakbij Nieuw Groningen is. Het moet dus ergens tussen 1783 en 1807 zijn geweest, waarschijnlijk niet eerder dan dat de vaart minstens was aangelegd tot aan Donkerbroek. Het zal een pleisterplaats voor schippers zijn geweest.

Uit de atlas betreffende Opsterland van Eekhof uit het jaar 1848 blijkt dat er in dat jaar negen huizen stonden in Nieuw Groningen. In de kadastrale atlas van 1832 staan er ook negen huizen getekend. In 1807 zullen het er waarschijnlijk slechts enkele zijn geweest, misschien wel alleen de herberg. De naamgeving van het buurtschap is daarmee een” kip of ei verhaal”. Of de herberg was genoemd naar het (kleine) buurtschap of het buurtschap werd genoemd naar de herberg. Het laatste lijkt mij het meest waarschijnlijk. In het informatieboek wordt de herberg met de naam “Klein Groningen” vermeld en niet als een herberg in Klein Groningen. Kornelis Remmelts, de herbergier uit 1807, nam in 1812 de achternaam Hoekstra aan, een duidelijke verwijzing naar de bijna haakse hoek daar in de vaart. Zijn vrouw Antje Hendriks werd in het overlijdensregister in 1814 vermeld met de achternaam Van der Hoek, nog zo’n verwijzing. Antje was afkomstig uit Groningerland, geboren in Marum als dochter van Hendrik Siegers en Tieke Jacobs. Of dat een relatie heeft met de naamgeving van de herberg Klein Groningen is me echter niet bekend.

atlas Eekhof 1848

atlas Eekhof 1848

Het gerecht van Opsterland was nog niet klaar met schipper Lammert de Winter, daarover een volgende keer meer.

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

  1. #1 door groninganus op 20/08/2016 - 12:37

    De opmaat over een ordinaire diefstal vond ik wat lang voor het meest interessante gedeelte van dit verhaal, dat over de naam Klein Groningen gaat. Ik denk dat je gelijk hebt wat betreft de naamsafleiding en dat de buurtschap is genoemd naar de herberg. Herbergen fungeerden immers veel vaker als naamgevers van gehuchten, bijv. meermalen Hongerige Wolf in Groningen (bij Wedde en Finsterwolde), Stroobosch op de grens van Friesland en Groningen maar ook elders (bijv. bij Bellingwolde en bij Wildervank), Pasop in Groningerland, Anholt in Drenthe. De namen beklijfden, omdat ook horecafuncties, eenmaal gevestigd, vaak bijzonder hardnekkig op dezelfde plaats bleven zitten.

    Verder is het zo dat er veel meer Friese veenarbeiders naar het oosten trokken, dan andersom. Dat was zelfs in de 17e eeuw al het geval: de Friesche Compagnie bij Kalkwijk onder Sappemeer. En het was begin 19e eeuw nog steeds zo: het Friesche Veen bij Paterswolde.

    Overigens noem je de herbergier van 1807 eerst Hendrik en daarna Kornelis Remmelts. Waarschijnlijk betreft het de Kornelis die in 1832 op 68 jarige leeftijd overleed (bron: Alle Friezen)? Het zou interessant zijn om te onderzoeken waar hij vandaan komt (helaas geeft Alle Friezen de akte niet). Maar het lijkt me gezien de aanneming van een naam met de uitgang …stra dat hij geen Groninger van origine is. Mocht dat nu wel het geval zijn, dan zijn beide hypotheses minder strijdig dan gedacht en kunnen ze in elkaar worden geschoven. In dit verband is het ook relevant hoe Hoekstra’s herberg in krantenadvertenties werd genoemd.

  2. #2 door sneuper op 20/08/2016 - 13:24

    @groninganus: Je hebt gelijk wat betreft Hendrik / Kornelis Remmelts. Ik had het patroniem van zijn vrouw in m’n achterhoofd. Intussen heb ik dat in de publicatie aangepast, dank voor de correctie.
    Dit is inderdaad de Kornelis Remmelts Hoekstra die in 1832 overleed.Volgens de ovl. akte was hij een zoon van Remmelt Kornelis en Grietje Jans. De naam van de moeder hierin klopt niet, ze heette Grietje Gerrits.
    Kornelis Remmelts werd in 1765 in Wijnjeterp geboren. Zijn voorouders komen uit Wijnjeterp, Duurswoude, Donkerbroek, Katlijk en Kortezwaag. De voorouders van zijn vrouw komen uit Marum en van haar vaders kant specifiek uit het Trimunt onder Marum. In advertenties heb ik de naam “Klein Groningen” niet terug gevonden, ook niet in notariële aktes.

  3. #3 door groninganus op 20/08/2016 - 14:24

    Dank! Dan is de naam van de uitspanning qua herbergiersechtpaar hooguit toe te schrijven aan de vrouw, maar of Marum in het Friese al kon gelden als zo typisch Gronings, dat er de naam van een herberg van afgeleid werd, lijkt me zeer vatbaar voor twijfel.

    Ik denk dat we de naamsverklaring moeten zoeken in deze richting: waar de Opsterlandsche Compagnonsvaart stopte en zwenkte, was het verste punt dat je per schip naar Groningen kon komen. Daarna raakte je over water verder van je doel door de zwenk naar verre oorden als Moscou en Petersburg.🙂

%d bloggers op de volgende wijze: