Tweede miljoenen-juffrouw (2)

Dit is een vervolg op Tweede miljoenen-juffrouw (1), klik hier.

Trijntje de Jong, geboren te Ureterp in 1851, later wonend in Zuiderdrachten, wordt in kranten meestal aangeduid als zijnde de tweede miljoenen-juffrouw. Dan moet er ook een eerste zijn geweest. Dat was de Amsterdamse Jannetje Struik, die een behoorlijke erfenis had ontvangen maar al het geld binnen korte tijd had verbrast. Jannetje was echter zo slim een advertentie in Amerikaanse kranten te laten zetten waarin stond vermeld dat ze miljoenen had geërfd. Dat gaf haar enorm (onterecht) krediet in Holland, waardoor ze nog enige tijd een rijk leven kon leiden. Jannetje laat ik in dit blog verder onbesproken. Trijntje de Jong, werd gezien als haar opvolgster. Haar avonturen zijn terug te vinden in oude kranten zo tussen 1886 en 1895.

Nadat Trijntje de Jong haar straf wegens kerkdiefstal in Marum had uitgezeten keerde ze 1878 terug naar het huis van haar ouders, die in Zuiderdrachten woonden. In januari 1880 vertrok ze naar Groningen. Ze werd gezelschapsdame van mejuffrouw Zwart, wanneer precies is niet helemaal duidelijk. Van een familie Fischer had ze Spaanse, Amerikaanse en Oostenrijkse effecten gekregen. Een andere krant noemt mej. Zwart als de gever. Gekregen, althans volgens Trijntje. Volgens een Officier van justitie had ze die effecten gestolen, maar daarover is verder niets duidelijk geworden. Trijntje hield het om de een of andere reden niet meer uit in Groningen en ging op reis.

Trijntje zou haar Gereformeerde geloof hebben afgezworen en Rooms Katholiek zijn geworden. Ze ging op bezoek bij verschillende kloosters, in Brussel, Wenen, Rome, Bazel, Konstanz en in Keulen, waarna ze richting Innsbruck was vertrokken. Ze had zich als kandidaat-non gemeld bij het klooster “Ewige Anbiddung” in Innsbruck. Een klooster met die naam bestaat volgens mij niet in die stad, maar Trijntje vertelde het zo. Erg Duits klinkt die naam overigens ook niet. Misschien was ze naar Tirol getrokken om haar Oostenrijkse effecten te verzilveren. In elk geval had ze op enig moment geld voorhanden.

Dat bleek toen ze in december 1886 acht dagen lang logeerde in Keulen in het hotel “Du Nord”. In Keulen had ze bij de firma Baum voor 800 mark aan goederen gekocht. Die goederen waren keurig betaald. De portier van het hotel verklaarde voor de rechtbank in Heerenveen dat Trijntje toen per dag ongeveer voor 20 mark verteerde. Ze was niet vies van een “slokje”. Ze had bij haar vertrek wel alles betaald.

Een Duits kamermeisje kwam voor het gerecht in Heerenveen ook een verklaring afleggen. Ze had in het hotel koffers gezien waarop stond geschreven “barones De Jong, Innsbruck, Tyrol”. Gekochte goederen werden in het hotel afgeleverd, geadresseerd aan “de Baronesse”. Trijntje zou zich door het personeel van het hotel ook met Baronesse hebben laten aanspreken, maar ze ontkende dat. Dit kamermeisje vertrouwde Trijntje echter niet, het gedrag van deze “baronesse” was niet zoals het een barones betaamt. Ze verklaarde dat Trijntje had gezegd familie te zijn van het Keizerlijk Huis in Oostenrijk en bevriend te zijn met baron Kippenbourg of Kettenburg in Bonn (verschillende kranten noemen een andere naam). Een ober van het hotel deed er een schepje bovenop en verklaarde dat Trijntje had gezegd familie van de Koning van Holland te zijn.

In juli 1887 kwam Trijntje terug naar hotel “Du Nord” in Keulen. Naar haar zeggen kwam ze toen uit Rome waar ze had vertoefd in het huis van “den Heiligen Vader Paus”. Ze deed in Keulen opnieuw inkopen bij de firma Joseph Baum, deze keer voor 7000 mark, andere kranten noemen het bedrag van 7800 mark. Ze betaalde echter niet direct maar kreeg het vertrouwen van de winkelfirma omdat ze een half jaar eerder alles had betaald. Maar deze keer bleef de rekening open staan. Op enig moment werd het de eigenaars van de winkel te gortig en ze gingen naar Trijntje in het hotel om alsnog betaling te verzoeken. Trijntje zei toe de volgende dag te zullen betalen, maar toen de winkeldelegatie de volgende dag terug kwam was Trijntje met de noorderzon vertrokken, ze was zogenaamd naar de kerk gegaan. Een deel van de gekochte goederen had ze meegenomen, ongeveer met een waarde van 2000 mark.

Trijntje moet daarna vanuit Keulen naar Den Haag zijn vertrokken en daarop naar Amsterdam. Ze was zogezegd wat verlegen met de goederen die ze zonder te betalen had meegenomen en raadpleegde twee advocaten. Die zeiden dat ze de goederen terug moest sturen. Volgens haar latere advocaat had ze dat met een deel van de goederen gedaan. In Amsterdam zou ze in het Amstelhotel hebben gelogeerd en toen hetzelfde trucje als in Keulen hebben uitgehaald. Ze vertelde afkomstig te zijn uit Dokkum en ze had nogal wat manufacturen ingeslagen zonder te betalen. Toen de verkopers hun geld kwamen halen was Trijntje opnieuw verdwenen. Wel met achterlating van diverse koffers. Daarin vonden de verbouwereerde verkopers niet hun onbetaalde spullen terug, maar slechts graszoden.

Trijntje was intussen naar Kampen doorgereisd. Daar had men volgens Trijntje haar koffers in beslag genomen. Een krant schreef echter dat er manufacturen bij Trijntje’s vader in Drachten in beslag waren genomen. Een andere krant schreef dat Trijntje’s broer Fokke, een dagloner, niet genegen was zijn “rijke” zuster in zijn “nederige woning” op te nemen. Daarop overnachtte zij bij diens buurman, die tolgaarder en tevens onbezoldigd rijksveldwachter was. Deze buurman had plannen met Trijntje want al gauw kreeg ze gezelschap van twee veldwachters, die haar de volgende ochtend, ergens in augustus 1887, naar Heerenveen, naar het gerechtsgebouw, brachten. Maar, tot verbazing van velen, werd ze al gauw, op 19 september weer vrijgelaten en ze keerde per tram in de eerste klas terug naar Drachten.

Kort daarop moet ze, begin oktober, opnieuw naar Kampen zijn gereisd, misschien om nog iets van haar koffers te achterhalen. Volgens de dorpsroddels echter had ze zich daar geëngageerd (verloofd) aan een keurig meneertje, die haar zelfs met de tram naar huis had gebracht. Dat meneertje bleek echter bij nader inzien een inspecteur van politie uit Kampen te zijn. Men kende Trijntje daar nog en wilde haar denkelijk weer zo snel mogelijk kwijt.

De Duitse justitie zat intussen ook niet stil en men traceerde, samen met de Nederlanders, de freule alias baronesse ofwel Trijntje de Jong in Drachten. Daarop werd Trijntje opnieuw in hechtenis genomen en deze keer kwam ze niet vrij. Er volgde een rechtszaak wegens oplichting. Trijntje kon niet worden uitgeleverd aan Duitsland, daarom vond het proces plaats in Heerenveen. Voordat het proces startte kwam Trijntje nog een keer, op 5 december 1887, onder begeleiding, dat wel, terug in Drachten. Ze zou de plek aanwijzen waar ze 2000 mark in de grond had verstopt. Er werd echter niets gevonden. Dus volgde onverrichter zake de terugreis per tram naar Heerenveen.

In februari / maart van het jaar 1888 volgde het stafproces. Trijntje hoorde de beschuldiging en de verklaringen rustig aan, ze was deftig gekleed met handschoenen aan en ze droeg een zwart kostuum. In de terechtzitting kwam veel van wat hier boven staat, in elk geval de oplichting in Keulen, aan de orde. De vroegere diefstal in Marum en de acties in Amsterdam werden ook gememoreerd. De Officier van justitie eiste wegens oplichting een gevangenisstraf van 3 jaar gevangenis

De advocaat van Trijntje was van mening dat van oplichting geen sprake was. Een echte oplichtster zou zich niet zo bedrinken als Trijntje deed. Toen ze ’s morgens aankwam bij hotel “du Nord” bestelde ze direct vier bittertjes en in de loop van die dag nog eens drie-en-een-halve fles wijn. De tweede dag bestelde ze eerst tien bittertjes, daarna nog zes bittertjes, vier cognacjes en drie flessen wijn. Zo bleef dat dagenlang doorgaan. Een oplichtster zou wel slimmer zijn geweest en goederen direct hebben doorverkocht. Eigenlijk zette de advocaat zijn cliënte neer als zatlap en hij vroeg vrijspraak. De rechter veroordeelde Trijntje echter tot een jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Die straf moest ze uitzitten in Appingedam. Na enige tijd werd Trijntje echter overgebracht naar het krankzinnigeninstituut in Medemblik. Daar bleef ze niet lang, al gauw ging ze terug naar Appingedam.

Op 21 oktober 1888 werd ze opnieuw “ambtshalve” bijgeschreven op de gezinskaart van haar vader, die arbeider was in Zuiderdrachten. Haar moeder Maria was begin januari 1886 overleden. Dan denk je dat de miljoenen-juffrouw toch een “dubbeltje” is gebleven, zich verder rustig zal gaan houden en misschien als oudste dochter wel de huishouding van vader zal overnemen. Niet dus. Dit verhaal over Trijntje is nog niet klaar.

Daarover meer in een volgend blog, klik hier.

, , , , , , , , , , , , ,

%d bloggers op de volgende wijze: