Ramp op de IJssel

In de nacht van zaterdag 17 op zondag 18 maart in het jaar 1827 raasde er een zware storm over Nederland. Door de zware golfslag en het opgestuwde water werden in de gemeente Vuren vijftig huizen en schuren verwoest. Het was een opluchting dat hierbij slechts vijf koeien, een varken en een schaap omkwamen, menselijke slachtoffers waren er niet. De waaldijk in Ochten was op 2 maart al doorgebroken, mede als gevolg van kruiend ijs en door de storm werd de schade aanzienlijk vergroot. In Herwijnen stortten zestig huizen in, veel schuren werden vernield en hooibergen werden meegesleurd door het water. Achthonderd personen in Herwijnen waren afhankelijk van ondersteuning. In Pannerden brak de Duikerdijk door. In Zutphen sloegen een aantal schepen los van de zware kettingen waarmee ze waren vastgemaakt. Het water in het Leekstermeer werd zodanig opgestuwd dat er overstromingen in Leek, Nietap en Roderwolde ontstonden. In sommige huizen stond het water een voet of meer hoog.

In die vliegende storm voer een schipper met domicilie in Ureterp met zijn tjalk, Vrouwe Loltje genaamd, over de IJssel in de buurt van Hattem. Die schipper was Willem Hendriks Willema. Aan boord waren, naast de schipper zelf, diens vrouw Loltje Johannes en hun zes kinderen. De oudste was Trijntje, geboren in 1814, verder Tjerkje (1816), Tjitske (1818), Hendrik (1820), Janke (1822) en Durkje (1825 of 1826). Ook was er een knecht aan boord, de 73-jarige Jan Marcus de Graaf, een neef van schipper Willem Hendriks Willema.

Willem had vracht geladen in Kampen, hooi en stro, en hij was met die vracht via de IJssel onderweg het binnenland in. In die zaterdagnacht om ongeveer 23:00 uur waren ze gevorderd tot de Gelder, net voorbij het Oude Veer bij Hattem. Willem probeerde daar een veilige haven te bereiken. Helaas, het noodlot sloeg toe. De tjalk maakte water. Vrouw Loltje was de eerste die het merkte. Snel wilde men het schip in een roeibootje verlaten. Willem had het bootje gauw klaar gemaakt. Loltje en haar kinderen waren samen met de oude knecht Jan al ingestapt. De wind en het water kregen echter vat op het roeibootje. Het sloeg om en de inzittenden werden door het water meegesleurd. Schipper Willem kon zich nog vasthouden aan een touw. Op die manier redde hij het leven. Alle anderen, echtgenote Loltje, de zes kinderen en knecht Jan verdwenen in de golven. Ook de tjalk zonk. Schipper Willem heeft misschien nog hoop gehad dat enkelen de kant konden bereiken. Helaas, niemand anders bereikte levend de oever.

Op 19 maart deed Willem zelf in Hattem aangifte van het overlijden van twee dochters, de driejarige Janke en de eenjarige Dirkje. Volgens de overlijdensakte waren beide kinderen overleden ten huize van Jan Mulder, die woonde in wijk C nummer 51 van Hattem. Het tijdstip van overlijden, 23:00 uur wijst echter ergens anders op. Beide kinderen werden in Hattem begraven. Op 9 april vond men in de gemeente Oldebroek aan de oever van de IJssel vlak bij waar Harm Sanders op nummer 32 B woonde het lichaam terug van de zevenjarige Hendrik. Op 11 april werd het lichaam van de 73-jarige Jan de Graaf terug gevonden in de IJssel bij Hattem. Schipper Willem Willema deed zelf aangifte van het overlijden van zijn knecht en tevens neef. Op 23 april vond men het lichaam van de elfjarige Tjerkje aan de IJsseloever bij de Spoolderweerd. Vrouw Loltje Johannes werd pas op 30 mei terug gevonden, ook bij de Spoolderweerd.

Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn de lichamen van de oudste en de derde dochter, Trijntje en Tjitske nooit terug gevonden. Diverse kranten beschreven de ramp, die zeker indruk heeft gemaakt in Nederland. Al in het voorjaar van het jaar 1828 trok er een kermisexploitant door het land met onder anderen wassen beelden van deze ramp.

De ramp was enorm, in één klap was een gezin weggerukt, alleen de vader bleef achter. Hoewel ik m’n best heb gedaan om nog iets van Willem terug te vinden is me dat niet gelukt. Na het tragisch ongeval is hij misschien hertrouwd. In de volkstelling van het jaar 1830 in Ureterp komt hij niet meer voor. Waar en hoe hij terecht is gekomen valt helaas niet eenvoudig te achterhalen. Hoe Willem ertoe gekomen is om in zo’n vliegende storm toch te gaan varen, je vraagt het je af. Een antwoord is er niet. Weersvoorspellingen kende men in die tijd nog niet. In 1816 had Willem 1500 gulden geleend van Oene Jans de Jong, zeer waarschijnlijk voor de aankoop van zijn tjalk. Er moest brood op de plank komen. Willem bleef berooid achter in 1827.

literatuur:
Overijsselsche courant 23 mei 1827, Groninger courant 27 maart 1827, Leeuwarder courant 27 maart 1827, Nederlandsche staatscourant 26 maart 1827. In te zien via kranten.kb.nl

In een volgend artikel laat ik nog wat genealogische gegevens van deze familie zien.

, , , , , , , , , , ,

  1. #1 door groninganus op 27/10/2012 - 14:23

    Een lading van hooi en stro gaf meestal een hoge deklast. Dan kon je maar beter op een relatief luw plekje liggen met storm.

%d bloggers op de volgende wijze: