Schooltoestanden

Dit is het laatste artikel in de “trilogie” over vroegere schooltoestanden. In een reactie op het vorige artikel werd al vermoed dat vroeger de onderwijzer niet direct tot de dorpsnotabelen kon worden gerekend. Het wordt allemaal een beetje duidelijker als we de levensbeschrijving van de schoolmeester Tjibbe Douwes Duursma uit Garijp van 27 maart 1798 er bij nemen.

Tjibbe schreef dat hij op z’n twaalfde (circa 1775) ging werken als schaapherder bij de boer Jacob Berends in Haulerwijk. Na drie jaar verkaste hij naar een andere boer, Eit Hinkes, was daar eerst twee jaar koeherder en daarna nog vier jaar “lytsfeint” (kleine knecht – voor het lichtere werk-). Daarna ging hij weer twee jaar lang werken voor zijn eerste werkgever, Jacob Berends, nu als volwassen knecht. Na die twee jaar werkte hij nog een poosje voor een boer in Donkerbroek, wat hem echter slecht beviel. Hij besloot het vrije (losse) werk te gaan opzoeken en ging in het voorjaar aan de slag met turf “baggelen” voor de veenbaas Johannes Andries in Bakkeveen. In de daarop volgende zomer werkte hij als maaier, eerst bij mevrouw Boelens en later in Oudehaske bij een boer die ze Douwe Dûbeltsje (dubbeltje) noemden. Duursma ging zich afvragen hoe het met zijn verdere carrière moest. De latere schoolmeester van Drachten, waarschijnlijk Foppe Meines van der Broek, zei eens tegen hem dat hij ’s winters wel schoolmeester in Drenthe kon worden. Eerst verhuurde Tjibbe zich nog als knecht bij een boer, intussen begon hij zich te verdiepen in de lesstof, inclusief het notenschrift. Hij gebruikte daarvoor “De trap der jeugd” en “Het Zwaar Schoolboek”.

centsprent (detail)

Opnieuw ging Tjibbe voor een boer werken, Jan Jans Gorter in Haule. Omstreeks oud en nieuw (1786?) verliet hij deze boer, die echter wel de vooruit betaalde “handpenningen” terug wilde ontvangen. Acht en een half jaar lang gaf Tjibbe ’s winters als (hulp)onderwijzer les in Glimmen en in het voorjaar werkte hij als veenarbeider in Bakkeveen / Haulerwijk en ’s zomers als maaier in Beets. Na een aantal mislukte sollicitatiegesprekken, waarbij hij zich ook vaak als voorzanger in de kerk moest laten horen,  werd hij onderwijzer in het schooltje op Ureterp Vallaat. In maart 1796 werd hij benoemd tot schoolmeester in Garijp. Hij had slecht vijftien weken gediend op het Ureterp vallaat toen hij op zondag 15 mei 1796 in Garijp begon, dat zal ongetwijfeld voorzingen in de kerk zijn geweest. Hij kwam “in de kunde” met een dochter van een Garijpster meester bakker, Jeltje Dirks (de Weerd) en ze trouwden op 27 november 1796 in Garijp.

Zo ging dat dus, zelf had Tjibbe nauwelijks een opleiding gehad, door zelfstudie nam hij de leerstof tot zich, hij ging eerst als (onder)meester werken. Ongeveer vanaf 1787 was hij onderwijzer aan de winterschool in Glimmen. In het voorjaar en de zomer werkte hij als veenarbeider en maaier. In 1795 was hij kort verbonden aan het schooltje op Ureterp Vallaat en in 1796 werd hij uiteindelijk schoolmeester in Garijp, waar hij tot zijn dood bleef. Hij overleed voor 1812, waarschijnlijk al voor 1806. Zijn weduwe wordt als arbeidster vermeld. Nee, een schoolmeester behoorde in de tijd nog niet tot de dorpsnotabelen.

centsprent (detail)

Tjibbe Douwes Duursma, geboren 24 oktober 1763 in Duurswoude, overleed voor 1812 in Garijp. Zijn weduwe Jeltje Durks de Weerd (1770-1843) hertrouwde in 1812 met Sytte (van der) Ploeg (1773-1839). Jeltje was op dat moment arbeidster. Uit haar tweede huwelijk werden geen kinderen meer geboren. Uit haar huwelijk met Tjibbe Duursma werden wel drie kinderen geboren, twee leefden nog in 1811 bij de naamsaanneming, Douwe (1797-1817) en Sietske (1801-1838). Douwe overleed ongehuwd en Sietske trouwde met de arbeider Douwe Feitzes van der Kooi (1807-1840). Zij kregen geen kinderen. Daarmee stierf de Duursma-tak van Tjibbe uit.

kadaster 1832 Ureterp Vallaat

Uit het bovenstaande blijkt al dat er in Ureterp behalve de school aan de “Boerenstreek” (= nu de Weibuorren) ook nog een schooltje aan de vaart stond, bij het Ureterp Vallaat. In die buurt woonden veel schippers en de gezinnen waren meestal groot. In 1806 was dit een school van de laagste rang. Veel is er niet van deze school in oude archieven te vinden. De administratie van deze school werd gevoerd door de buitenvoogden van Ureterp en we vinden deze school dan ook niet terug in de kerkvoogdijrekeningen. Wat er wel bekend is komt door verslagen van de schoolopziener dominee H. Heppener in het begin van de 19e eeuw.

Heppener beschreef dat de toestand van het schooltje niet beter, eerder nog slechter, was dan de hutten die in de veenderijen waren gebouwd. Het spul was zo bouwvallig dat de schoolopziener vreesde voor het leven van de schoolmeester en de kinderen omdat de muren op instorten stonden. De gehele schoolruimte was 12 voet lang en 12 voet breed (4×4 meter). Het grootste beslag op de ruimte werd ingenomen door de kachel die in het midden stond. Er waren geen schrijftafels, de kinderen zaten op lage bankjes tegen de muur. Sommige kinderen hadden hun lei op de knieën, anderen zaten op de grond en gebruikten de bank langs de wand als schrijftafel. De ruimte stond soms zo vol met rook dat de deuren open moesten staan, ook in de winter, ook als het bitter koud was. Het voordeel van die openstaande deur was echter wel dat er dan ook nog wat licht naar binnen viel. De school stond op een laag gelegen stuk grond, de omringende grond lag hoger, waardoor regenwater naar de school toe liep. De grond rondom school was soms zo nat dat sommige ouders maar besloten hun kinderen naar school te dragen. In 1819 werd het oude schooltje afgebroken en werd er een nieuwe gebouwd op een ander stuk grond. Nu wel voorzien van goede schrijftafels en met zes schuiframen.

Het lijkt mij duidelijk, we praten nu ook wel eens over onderwijstoestanden. Dat is echter niets als je het vergelijkt met hoe armetierig de toestand vroeger was, zeker op het arme platteland. Pas op 1 januari 1901 werd een leerplichtwet van kracht. Daarvoor gingen sommige kinderen niet naar school of hooguit een korte periode. En als je dan niet mee kon komen dan leerde je er ook nog weinig. Het is dan ook geen wonder dat heel vaak in oude aktes staat genoteerd dat iemand verklaarde “niet te kunnen schrijven”.

niet kunnen schrijven

literatuur:

Nieuwsblad van Friesland 16 mei 1924 en 10 april 1931.

Wie meer wil weten over de schooltoestanden in zijn eigen (Friese) omgeving kan veel vinden op kranten.kb.nl Het intypen van de woorden oude schooltoestanden Friesland in het zoekvak is voldoende om de situatie in allerlei Friese plaatsen te kunnen bekijken. Bijvoorbeeld van Drachten, Rottevalle, Gerkesklooster, Lippenhuizen, Langezwaag enzovoort, enz.

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

%d bloggers op de volgende wijze: