Omslag Opsterland (gedeeltelijk) in 1801

Op 12 oktober 1799 besloot het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks dat het Bataafse leger met alle mogelijke spoed moest worden gecompleteerd en geaugmenteert (uitgebreid) omdat er een onverwijlde noodzaak was. In eerste instantie zouden manschappen worden gerekruteerd op basis van vrijwilligheid. Maar elke Grondvergadering in het land moest wel verplicht drie manschappen “leveren”.  De te leveren manschappen moesten tussen de 18 en 40 jaar oud zijn, van bekwame grootte en zonder lichaamsgebreken. Omdat er haast bij was moesten de gemeenten al binnen twee weken na aanschrijving uitsluitsel geven. Voor elke man die werd aangeleverd zou de Gemeente tien dukaten ontvangen. Daarvan waren er twee bestemd voor diegene die waren aangesteld om de manschappen te werven (het wervingsbureau) en verder zou, als hij werd goedgekeurd, de aangeworvene de overige acht dukaten ontvangen. Als iemand zich aanmeldde zonder tussenkomst van het wervingsbureau kreeg hij, na goedkeuring, het gehele bedrag van tien dukaten uitgekeerd.

Op 24 januari 1800 werd dit besluit gealtereerd (gewijzigd). In plaats van drie moest men nu twee manschappen per Grondvergadering leveren. Daarnaast werd bepaald, in afwijking van het eerdere besluit, dat de nog te leveren manschappen tussen de 18 en 35 jaar oud moesten zijn, “minstens 5 voet en 2 duim lang, gezond en sterk, zonder lichaamsgebreken, in geen anderen Landsdienst, hetzij van de Marine, hetzij in andere Corpsen der gesoldeerde Militie van den Staat zich bevindende en zo veel mogelijk moeten bestaan uit binnen ’s Lands of bij de wervers bekende en ongehuwde personen”.

In een aantal Municipaliteiten (Gemeentes) slaagde men er niet in voldoende manschappen op te trommelen. Daarom noteerde men op 5 maart 1801 in Den Haag dat iedere Municipaliteit, naar mate van de sterkte van haar bevolking, aan de voorzegde levering van Manschappen heeft moeten voldoen, en [………..] de “gebrekigen aan de poenaliteiten bij de Wet gestatueerd zijn onderworpen en dus iedere Gemeente hetzij zij uit één of meer geheele of ook uit gedeelten van Grondvergaderingen bestaande wanneer zij in gebreke gebleven zijn de boeten daarvoor bij de Wet gestatueerd voor deeze geheele of gedeelten van Grondvergaderingen moet voldoen, welke tot haare Gemeente behooren.”

Kortom: De Gemeenten hadden intussen aan hun verplichting moeten voldoen en als er geen of onvoldoende manschappen voor het leger waren geleverd dan werd een boete opgelegd.

De Friese gemeente Opsterland was ook in gebreke gebleven en kreeg een boete. Die boete werd naar de bevolking omgeslagen. Iedereen moest meebetalen. Dat leidde ertoe dat gecommitteerden van de afzonderlijke grondvergaderingen in Opsterland bewonerslijsten opstelden met een door elk van de bewoners te betalen bedrag. Je zou het een quotisatie kunnen noemen, waarbij ieder naar draagkracht werd aangeslagen, hoewel deze term in de onderliggende stukken niet voorkomt. Of de armlastigen en gealimenteerden ook werden aangeslagen wordt uit de stukken niet duidelijk. De opgemaakte lijsten werden vastgesteld in Opsterland op 16 september 1801 en naar Den Haag gezonden. Daar stelde het Staats-bewind der Bataafsche Republiek de door Opsterland aangedragen bedragen vast op 1 december 1801. Tevens werd een extract aan de Agent van Inwendige Politie gezonden, met last, om daar aan de nodige executie te geven.

Overigens, ook in buurgemeente Smallingerland voldeed men niet aan de verplichtingen, zoals ik al eerder op deze site heb uitgewerkt, klik hier.

Het geheel leidde tot een aantal bevolkingslijsten uit Opsterland, ingedeeld per Grondvergadering met de daarbij per adres te innen bedragen. In die lijsten worden genoemd de Grondvergaderingen van: Olterterp, Ureterp en Siegerswoude, gecombineerd tot drie grondvergaderingen, Duurswoude en Wijnjeterp, elk één grondvergadering, Hemrik en Terwispel, gecombineerd tot één Grondvergadering, Lippenhuizen en Gorredijk, elk twee grondvergaderingen, Kortezwaag één Grondvergadering en Langezwaag met Luxwoude gecombineerd tot één grondvergadering. Totaal dus van 12 grondvergaderingen. Voor deze dorpen had men in totaal eerst 36 ( maar later gewijzigd in) 24 manschappen moeten aanleveren. In de lijsten ontbreken Beetsterzwaag en Beets, welke beide dorpen samen ook één Grondvergadering vormden. De reden hiervoor staat in dit besluit niet aangegeven, misschien had deze grondvergadering wel genoeg manschappen geleverd, maar dat is gissen en geen zekerheid. In Smallingerland werd ook een dorp (Rottevalle) overgeslagen.

De bewonerslijsten in Opsterland bevatten het volgende aantal posten en bedragen per dorp:

Opsterland 1801 samenvatting

Bij het drukken van de lijsten is er af en toe duidelijk iets fout gegaan. Namen werden “verhaspeld”, mogelijk omdat de Hollandse drukker de Friese namen niet goed kon duiden of omdat dit al mis was gegaan bij een eerder afschrift. In Gorredijk werd een zekere Sybold “aangeslagen” voor 0 caroligulden, 0 stuivers en 0 penningen (0:0:0) en dat zal niet de bedoeling zijn geweest. Of alles wel precies volgens draagkracht werd berekend is ook niet helemaal duidelijk. Zo werd in Olterterp Ambrosius Ayso van Boelens aangeslagen voor 9 caroliguldens, hij was in deze lijsten de hoogst aangeslagene. Nummer twee qua hoogte van aanslag was Bonne Walles (verhaspeld tot Bomme Walles) in Langezwaag die 6 caroligulden en 15 stuivers zou moeten ophoesten. Toen Bonne Walles op 25 september 1808 overleed was er zijn nalatenschap echter vrij van het betalen van belasting volgens artikel 5 (vererving in rechte lijn). Het één en ander lijkt moeilijk met elkaar te rijmen.

Wat de lijsten vooral opleveren is enig inzicht in de bewoners per dorp. De complete uitgewerkte lijsten heb ik als bijlage bij dit blog gevoegd, klik hier.

Advertenties

, , , , , ,

Een reactie plaatsen

Calsbeeck, losse eindjes

Dit is een vervolg op Calsbeeck, Johannes, klik hier en van Calsbeeck, de oudste generatie, klik hier.

Tijdens mijn zoektocht naar de oudste generaties van de familie Calsbeeck stuitte ik bij de doop in 1610 in Nijmegen van Elizabeth, de dochter van Antonie Calsbeeck en Sibilla Lose op een zekere Jan Calsbeeck als doopgetuige. Hij zou familie kunnen zijn. Zeker omdat een zoon van Antonie en Sibilla die later in Schagen woonde (zie vorige publicatie) zich Jan Teunis noemde. Misschien was de doopgetuige Jan Calsbeeck wel de vader van Antonie, maar hij kan net zo goed een broer of een neef zijn geweest of nog een andere relatie hebben. Op basis van de mij momenteel ter beschikking staande gegevens is voor mij de juiste familierelatie op dit moment onduidelijk.

Er zijn wel een aantal andere personen met de familienaam Calsbeeck e.d. waarvan enkelen het patroniem Jans voeren, maar ook van dezen heb ik niet een rechtstreeks verband met de doopgetuige Jan Calsbeeck uit 1610 gevonden. Hen heb ik samengevat onder de noemer “losse eindjes”.

Eerst is daar Gerrit Jans van Calsbeeck, die op 8 februari 1626 in Nijmegen trouwde met Elske Joosten. In het Schepenprotocol van Nijmegen wordt op 4 januari 1627 vermeld de pottenbakker Gerrit Jans, die was getrouwd met Elsken Joosten. Elske wordt daarbij genoemd als weduwe van Ott Jans waarbij ze twee (nog in leven zijnde) kinderen heeft, zijnde Gerritje (gedoopt Grave in september 1619) en Johan (gedoopt Grave april 1621). Samen met Joost van Warendorp (op dat moment (1627) getrouwd met Sibilla van Herten) en weduwnaar van Engeltgen van Haemel verkoopt ze 1/4 part van een huis in de Hofstad (Brussel) aan de Burchstraet. Op 5 februari 1606 wordt Joost van Warendorp vermeld als nieuwe burger van Nijmegen samen met zijn dochters Elske en Marijke. Ott Jans en Elske Joosten waren op 22 juni 1617 in Nijmegen getrouwd en daarvoor zowel in Nijmegen als in Grave ondertrouwd. Trouwgetuige daarbij was Engel Joosten, waarschijnlijk de moeder van Elske. Ott en Elske hadden ook nog een zoon Jan (gedoopt Grave augustus 1618) meer hij wordt in 1627 niet meer vermeld. Gerrit Jans van Calsbeeck en Elske Joosten lieten in 1626 in Nijmegen een dochter Sibilla dopen, waarschijnlijk genoemd naar de stiefmoeder van Elske. Doopgetuigen daarbij waren meester Willem, Adam Rutten, Anthonij schoolmeester en meester Jan de schoolmeester (de laatste is waarschijnlijk Jan Tieman). Op 25 december 1629 komt Elsken Joosten als N.G. lidmaat met attestatie van “Nimwegen” binnen in Kampen. Haar man Gerrit wordt niet vermeld, hij zal geen lidmaat zijn geweest. In Kampen is mogelijk een kind geboren. Er werd op 16 oktober 1629 een dochter Engeltje gedoopt als kind van Gerrit Jans (geen achternaam), moeder niet genoemd, en op 25 juli 1630 een dochter Geertruid van Gerrit Jans (geen achternaam), moeder ook niet genoemd. Beiden te zien als kinderen van Gerrit en Elske lijkt mij een beetje onwaarschijnlijk, er zit maar 9 maanden tussen beide dopen. Het is ook niet zeker dat dit kinderen waren van Gerrit en Elske, maar één van twee lijkt mogelijk te zijn. Wel is zeker dat Elske Joosten in 1631 vertrok vanuit Kampen naar Heusden. Daar werd ze ingeschreven als N.G. lidmaat met attestatie van Kampen als “Elsken Joosten, huisvrou van Gerrit Jans van Calsbeeck, ruiter onder La Fonteijne”. In de marge staat ”vertrokken”. In Heusden lieten ze vijf kinderen dopen: Jenneke (1632), Anthonie (1633), Johannes (ook 1633), nog een Johannes (1635) en Hendrik (1637). Na 1637 zijn Gerrit en Elske dus uit Heusden vertrokken, het is me niet bekend waar naar toe, waarschijnlijk naar een volgende garnizoensplaats. Elskes vader Joost van Warendorp wordt vermeld in het “Nederlands Advysboek” voor rechtsgeleerden in het jaar 1784 inzake problemen die in 1649 waren ontstaan tussen de laatste weduwe van Joost samen met zijn dochter uit het eerste huwelijk en de erfgenamen van Sibilla van Herten inzake de erfenis van Sibilla, die de tweede echtgenote was van Joost. Helaas wordt daarin niet vermeld waar die dochter (Elske Joosten) op dat moment woonde. Gelet op de namen van de kinderen van Gerrit Calsbeeck en Elske Joosten mag je wel een zeker familieverband met de schoolmeester Antonie van Calsbeeck uit Nijmegen / Nijkerk / Kampen verwachten, welke dat is staat echter (nog) niet vast. De vader van Gerrit was een Jan …., maar verder is er niets bekend. Een los eindje dus in de totale genealogie Kalsbeek.

Ten tweede is daar een zekere Geisgen van Kalsbeeck die in 1638 lidmaat N.G. was in Ravenswaaij. Ze wordt daar vermeld direct voor Joannes Elie Custor(?) en diens echtgenote Janneken. Met de achternaam Custor trof ik Johannes Eliae niet meer aan, wel als Johannes Eliae Cluijt. Op 4 november 1657 wordt hij in het schepenprotocol van Grave vermeld als secretaris van Veenendaal en als echtgenoot van Jenneken Jans Calsbeeck. In de akte wordt ook vermeld een Sophia Coeberg als weduwe van De Haen. Op 15 maart 1663 wordt Johannes Cluijt vermeld in een akte van notaris Johan Gilpin als er mombers over zijn onmondige dochter Elisabeth Jans Cluijt bij zijn overleden huisvrouw Janneke Jans van Kalsbeeck worden benoemd. Tevens worden die als mombers benoemd over Willem Aerts Cock, een zoontje van Aert Wouters Cock bij de oudste dochter van Johannes Eliae Cluijt. Benoemd werden Willem Stevens te Veenendaal en Jan Hendricks van der Sluijs te Rijswijk, beiden zwagers van Cluijt. Met zwager wordt hier schoonzoon bedoeld. Verder begeert Johannes dat de weesmeesters van de stad Rhenen zich niet met de curatele gaan bemoeien. Op 14 maart 1665 constitueren Willem Stevens, getrouwd met Fijgjen Jans die mede-erfgenaam is van Jannigje Jans van Calsbeeck en Willem Stevens tevens als momber over de minderjarige Elisabeth, hun schoonvader respectievelijk vader om een bouwhof genaamd de Bocksmeersenhoff te transporteren.Dus ook hier vindt je een Calsbeeck met het patroniem Jans. Of er een relatie is met de doopgetuige in 1610 Jan Calsbeeck uit Nijmegen wordt echter uit deze archiefinschrijvingen niet duidelijk. De relatie met Geisgen van Kalsbeeck in Ravenswaaij blijft ook onduidelijk. De volgende losse eindjes dus.

Als derde is daar Christoffel (Stoffel) van Calsbeeck. Hij trouwde op 29 juli 1627 in Grave met Prudentia Laurens, die weduwe was van Glaude van Eil (Eijl). In 1632 was Stoffel in Nijmegen doopgetuige bij de doop van Frans Buekens, zoon van Willem Buekens en Anneken Korstijens. Stoffel wordt tussen 1646 en 1653 diverse malen vermeld als schepen van Grave. Zijn zegel is bewaard gebleven in het archief van het Graafs Veer, maar dat zegel heb ik niet zelf gezien. In 1657 is er in de schepenbank van Grave een vermelding van de erfgenamen van Christoffel van Calsbeeck als naastligger. In 1647 vest de weduwnaar Anthoni van Sittart aan Christoffel Calsbeeck en Prudentia Laurent echtelieden een huis en erf, waarop een aantal lasten liggen zoals negen gulden aan Sophia Coeberch de weduwe van Jan de Haen. Maar misschien is wel de belangrijkste akte die in het Schepenprotocol van 21 mei 1666 waarin de gezamenlijke erfgenamen van Glaudi van Eyl verklaren dat aan hen ten vollen is betaald de uitspraak van den Raad van Brabant d.d. 09-12-1655 in hun zaak tegen de erfgenamen van Christoffel van Calsbeeck en Prudentia Laurens met het akkoord te Grave op 28 september 1655 voor de notaris Jan de Meijer en getuigen. Zij verlenen kwitantie aan die erfgenamen en transporteren voorts de aan hen toegewezen erfgoederen aan Prudentia Laurens. Scans van de aktes in het schepenprotocol van Grave en de resolutie van de Raad van Brabant zijn in te zien via de website van BHIC. Daarin is in beide gevallen slechts sprake van de erfgenamen van Christoffel Calsbeeck, helaas worden er geen namen genoemd. Of het akkoord voor de notaris Jan de Meijer bewaard is gebleven weet ik niet. Zo ja, dan staan daar misschien wel de namen van de erfgenamen van Christoffel in vermeld. Mogelijk komt er dan wat meer licht in de afstamming van Christoffel.Deze Christoffel van Calsbeeck wordt nergens vermeld met een patroniem. Of hij in de familie van de doopgetuige Jan Calsbeeck in 1610 past blijft daarom voorlopig nog onduidelijk, een los eindje.

In het schepenprotocol Stad en Land van Ravenstein werd op 17 maart 1666 een transportakte genoteerd waarin Gertruijt van Calsbeeck geassisteerd door haar gekozen momber Joannes Coersius, pastoor te Appeltern, en haar dochter Grietien Cornelissen voor zichzelf, de momber mede voor de minderjarige kinderen van Gertruijt met namen Lijsbet Cornelissen, Feijten Cornelissen en Cornelis Cornelissen vesten aan Seger Elia Cluijt en diens echtgenote Margareta van Diepenbroeck hun gerechte 1/4 deel van den Boxmeerschen hoff, gelegen te Reek, naastliggers zijn aan de ene kant de hof en weikamp van Johan van der Geest, aan de andere zijde Gielen Jans en de erfgenamen van Jan Thonissen. Opvallend bij deze Geertruid van Calsbeeck is het bezit van 1/4 deel van de Boxmeerschen hoff in Reek. Ook Jenneken (Janneke) van Calsbeeck, de echtgenote van Johannes Eliae Cluijt had bezit in een Boxmeerschen hoff, zie hierboven. Ergens zullen ze familie van elkaar zijn, maar hoe, ook dat is mij onduidelijk. Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose hadden een dochter Geertruid (gedoopt Nijkerk 1619), maar is het is mij nergens gebleken dat deze Geertruid met een Cornelis N.N. is getrouwd. Nog een los eindje.

Terugkijkend op deze serie van drie publicatie is het voor mij duidelijk dat Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose (voorlopig) als stamouders van de Kamper / Hasselter / Friese familie Kalsbeek kunnen worden beschouwd. Ergens ligt er waarschijnlijk wel een relatie met de doopgetuige Jan Calsbeeck in 1610 in Nijmegen en ook met Gerrit Jans van Calsbeeck, Geigjen Calsbeeck, Jenneken Jans Calsbeeck, Geertruid Calsbeeck en misschien ook nog met Christoffel Calsbeeck. Deze personen worden vermeld in Heusden, Ravenswaaij, Veenendaal, Rijswijk (NB), Reek en Grave. Alles redelijk in de buurt van Nijmegen. Maar zonder aanvullende gegevens zie ik geen kans om ze aan elkaar te koppelen als zijnde van één en dezelfde familie.

Er blijft nog veel uit te zoeken betreffende mijn voorouders Kalsbeek. Als u aanvullingen heeft, dan hoor ik dat graag.

Bij het samenstellen van deze publicatie(s) heb ik dankbaar gebruik gemaakt van de gescande bronnen van archieven van het BHIC waarin de schepenprotocollen van Stad en Land van Ravenstein en van Grave. Ook het archief van Het Graafs Veer heb ik gebruikt, alles soms ook via archieven.nl. Daarnaast schepenprotocollen via het Regionaal archief Nijmegen. Verder van het notarieel archief nr. 63 inventarisnummer 2055 (notaris Johan Gilpin) in het Regionaal Historisch Centrum Zuidoost-Utrecht en dan speciaal de uittreksels gemaakt door H.J. Postema. Soms zijn via die genoemde archieven op internet scans van de originele aktes raadpleegbaar.

, , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Calsbeeck, Johannes

Dit is een vervolg op Calsbeeck, eerste generatie, klik hier.

Lang leek het voor mij alsof Johannes Calsbeeck van het toneel was verdwenen. In 1629 werd hij vermeld als nieuw aangekomen lid van de N.G. kerk in Kampen. Vaak wordt hij aangezien voor de stamvader van het geslacht Kalsbeek. Soms heeft internet echter ook z’n voordelen. In de dissertatie van Jacobus Bastiaan den Hertog, verdedigd op 2 december 2009, getiteld “Anthoni van Noordt en zijn Tabalatuurboeck”, intussen ook gepubliceerd op internet, wordt in de voetnoten op pagina 32 verwezen naar het Oud archief van Schagen, inventarisnummer 1, de resoluties van de Vroedschap op 21 september 1651, waarin wordt vermeld dat Johannes van Calsbeeck zijn ontslag indiende als schoolhouder en organist in Schagen. De Vroedschap dacht erover de combinatie van functies op te heffen. Maar besloten werd dit voorlopig toch te blijven combineren, anders zou het wel eens te duur kunnen worden. Isbrant Aerjaensen uit Schagen werd benoemd als opvolger, maar hij kon niet orgelspelen. Dat moest Calsbeeck hem dan maar leren. Dit was reden om in de oude archieven van de stad Schagen te duiken.

In het lidmatenboek N.G. van Schagen staat vermeld dat op de eerste zondag van september in het jaar 1630 was binnengekomen met attestatie van Kampen: Johannes Calsbeeck.

In het Oud Rechterlijk Archief en Weeskamerarchief van Schagen vond ik op 6 december 1635 (f. 130r) een verkoopakte waarbij Griet Cornelis Rembrandtsdochter geassisteerd met haar voogd de schoenmaker Frerik Arjens, de secretaris Gerbrand Pieters uit naam van zijn vrouw (Hillegont Remments, blijkens de doopboeken), Pieter Remments messemaker en mr. Jan à Calsbeeck organist te Schagen namens zijn echtgenote aan de weledele heer Aelbrecht van Schagen een stuk groenland verkochten. Meester Johannes Calsbeeck had zich dus ontdaan van de (schoolmeesters eigen) franje in zijn naam en Johannes was gewoon Jan geworden.

In het jaar 1648 kocht meester Jan van Calsbeeck organist binnen “onser stede” Schagen een huis en erf en boomgaard gelegen te “onser stede” opte Lageseijt, bezwaard met een heleboel erfdienstbaarheden, inclusief een op een muur liggende goot, van de kinderen en kleinkinderen van wijlen Pieter Siebrandts in zijn leven oud-burgemeester van Schagen. Nog een bewijs dat schoolmeester Jan van Calsbeeck dezelfde is als de organist Johannes van Calsbeeck. Men zal niet tegelijkertijd een Jan van Calsbeeck (vermeld in 1648) en een Johannes van Calsbeeck (ontslag in 1651) in dienst hebben gehad.

Maar dit alles levert nog geen naam op van de echtgenote van Jan c.q. Johannes. In 1648 staan echter als lidmaten in Schagen vermeld: meester Jan organist en Anna Rembrandts. Uit de akte uit 1635, hierboven vermeld, kun je concluderen dat Griet Cornelis Rembrandsdochter, Hillegont Remments, Pieter Remments en Anna Rembrands in elk geval familie van elkaar waren, waarschijnlijk broer en zusters en dan kinderen van Cornelis Rembrands.

Een vader met de achternaam Calsbeeck vindt je echter niet in de doopboeken van Schagen. Wel het echtpaar meester Jan Theunis en Anna Remments. Dan heeft Johannes Calsbeeck alle franje uit zijn naam weggelaten, Johannes werd Jan en Antonies werd Teunis, zelfs Calsbeeck werd niet meer genoteerd. Meester Jan Teunis en Anna Remments lieten in Schagen vijf kinderen dopen: 1. Cornelis op 23 oktober 1633, 2. Trijntje op 3 februari 1636, 3. Geertruid op 3 oktober 1638, 4. weer een Trijntje op 28 april 1641 en 5. een Elisabeth op 27 juli 1644. Bij de doop van Trijntje in 1641 komt nog even het oude terug, de naam van de vader wordt dan genoteerd als meester Jan Anthonius.

Dit alles maakt het volgens mij zeer aannemelijk dat de organist en schoolmeester Johannes alias Jan Teunis / Anthonius met of zonder Calsbeeck ook een zoon is van Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose uit Nijmegen / Nijkerk / Kampen, zie het vorige artikel. Johannes c.q. Jan is dan gedoopt in Nijmegen op 20 oktober 1611. Zijn echtgenote was Anna Remments alias Rembrands, met wie hij circa 1632 zal zijn getrouwd.

Meester Jan Theunis is waarschijnlijk al voor 29 december 1659 in Schagen overleden (ORA Schagen inv. nr. 5894 f. 24). Trijn Dircx de weduwe van Arjen Jans Groen verkoopt dan in Schagen een boomgaard, waarbij de kinderen van zaliger meester Jan als naastliggers worden vermeld. Zeker is dat onze organist en schoolmeester voor 30 december 1676 is overleden (oud archief Schagen inv. nr. 5896 f. 302) wanneer Trijntje Frederiks in Schagen een tuintje verkoopt waarbij sprake is van een vrije doorgang door de steeg gelegen tussen de huisinge van de kinderen van meester Jan Calsbeeck en Reijer Pieters Boer.

Van de kinderen van Jan / Johannes Calsbeeck alias meester Jan Theunis en Anna Remments is wel iets terug te vinden, maar beperkt, ook al omdat ze niet allemaal de achternaam Calsbeek gebruikten. Wel is duidelijk dat dochter Lijsbeth (gedoopt in 1644) op 20 maart 1667 in Schagen trouwde met Jan Pieters Bergman, ook bekend als Jan Pieters Stam. Hij was schepen van Schagen in 1696 en burgemeester in 1705. Bij de doopinschrijving van hun 6 kinderen, waaronder een Maartje in 1678, wordt Lijsbeth vermeld met de achternaam Calsbeecq en Calsbeeck. Daarmee was weer iets van de franje terug.

Een andere dochter Geertruid, gedoopt in 1638, trouwde waarschijnlijk met Cornelis Jan Schager alias Schagen. Zij lieten vijf kinderen dopen in Schagen, waaronder een zoon Jan in 1677. Geertruid gebruikte geen familienaam.

Een derde dochter, Trijntje, gedoopt in 1641, gebruikte wel de familienaam Kalsbeek. Ze wordt op 26 oktober 1710 vermeld in een akte van notaris Jan van der Hoeve in Twisk (Westfries archief inventarisnummer 5007, akte nummer 17). Trijntje wordt dan vermeld als tante van Maartje Jans Bergman (een dochter van Jan Pieters Bergman en Lijsbeth Calsbeecq, zie hierboven), welke Maartje trouwde met Jan Klazes Kos alias Jan Nicolaas Cos, bode in Medemblik. Verder wordt als neef van Maartje Bergman in die akte vermeld een zekere Jan Schagen, die als ik het goed interpreteer, een zoon is van Cornelis Schager (Schagen) en Geertruid Jans, zie ook hierboven.

Johannes Calsbeeck, zoon van Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose heeft dus duidelijk wel zijn sporen in de geschiedenis nagelaten, hij werd organist en schoolmeester in Schagen. Maar hij was niet de stamvader van de familie Kalsbeek.

Zoals hierboven geschreven, deze Johannes Anthonies Calsbeeck noemde zich Jan Teunis, een naam zonder franje. Bij zijn doop in 1611 in Nijmegen was opmerkelijk genoeg een Jan Calsbeck doopgetuige. Dus nog maar eens terug naar Nijmegen en omgeving.

Daarover een volgende keer meer, klik hier.

, , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Calsbeeck, de oudste generatie

Al meer dan 40 jaar probeer ik het voorgeslacht van de familie Calsbeeck / Kalsbeeck / Kalsbeek etc. te achterhalen. In mijn kwartierstaat lopen twee lijnen van deze familie. Reden om daar wat extra aandacht aan te besteden. Er is al het één en ander gepubliceerd. Vaak wordt daarbij een zekere Johannes Calsbeeck die in 1629 in Kampen wordt vermeld in het lidmatenboek van de N.G. kerk als nieuw aangekomen lid aangeduid als stamvader van het geslacht.

Deze Johannes Calsbeeck kan ik als stamvader echter niet goed plaatsen. Behalve die ene vermelding als lidmaat vindt je hem in de archieven van Kampen niet terug. Later woonden in Friesland een aantal leden van de familie Calsbeeck, een Robertus, die organist was in Sneek en een Anthonie die schoolmeester en organist was in IJlst. In het algemeen worden deze twee vermeld als zijnde zonen van de hierboven genoemde Johannes Calsbeeck. Maar beiden worden in een (onder)trouwakte met het patroniem Anthonies vermeld. Robertus Calsbeeck ondertrouwde in Sneek op 13 november 1641 met Trijntje Hotzes. Hij wordt daarbij vermeld als Robertius Antoni Calsbeeck. De schoolmeester en organist Anthonij Calsbeeck uit IJlst wordt bij het huwelijk met zijn tweede echtgenote Riemke Egberts in 1659 ingeschreven in het trouwboek van IJlst als mr. Anthoni Anthonius à Calsbeeck. In beide gevallen dus een vermelding met het patroniem Anthonies en niet met het patroniem  Johannes. Wat voor mij reden was om nog maar eens heel goed te zoeken naar een Anthonie Calsbeeck als vader.

Om het verhaal van een lange zoektocht kort te maken: De eerste vermelding van een Anthonie Calsbeeck vond ik in Nijmegen in het jaar 1609. Hij was op 18 juni van dat jaar getuige bij de doop van een kind van Jan Vogelken en Goetsken. Tien dagen later, op 28 juni was hij opnieuw getuige bij de doop van een kind van Jan van Ratingen en Margriet. Hij wordt dan vermeld als Anthonij van Kalsbergen (of Kalsbergh), schoelmeester.

Op 19 oktober 1610 wordt in het N.G. doopboek van Nijmegen vermeld: vader Antonius van Kalsbeck, moeder Sijbilla N., kind Elizabeth, getuigen Jan van Kalsbeck, Jan Claessen, Maijken Franssen.

Op 29 oktober 1611 de volgende vermelding, ook in Nijmegen: vader Anthoni van Calsbeeck, moeder Sibilla, kind Johannes, getuigen Johannes Gobelius, Joost van Wadendorp, Maria de huisvrouw van Gerard Linij.

Daarna verliet Anthonie Nijmegen. In “Bijdragen en Mededeelingen deel X van Gelre, vereeniging tot beoefening van Geldersche geschiedenis, oudheidkunde en recht” schreef G. Beernink in een bijdrage over “Het onderwijs te Nijkerk na de Hervorming (1593-1630)” dat in Nijkerk (Gld) in het najaar (van 1611) als opvolger van de plotseling naar Ede vertrokken schoolmeester Schultetus een schoonschrijver, mr. Anthonius Kalsbeeck werd aangesteld tot Franschen en Duitschen schoolmeester met de verplichting om twee jaar te blijven. Verder schrijft Beernink dat Anthonij het 8 jaar uithield in Nijkerk, dus tot 1619 / 1620. In die periode kalligrafeerde Anthonie een bord met Bijbeltekst dat nog steeds in de Grote kerk van Nijkerk hangt, te zien op Reliwiki, klik hier.

Dat Anthonie de letters op dit bord schreef blijkt uit een kwitantie die bewaard is gebleven in het archief van de Hervormde kerk in Nijkerk.

In Nijkerk liet Anthonie vier kinderen dopen:  Op 19 december 1613 werd zoon Henric gedoopt, op 25 april 1616 werd zoon Robert gedoopt en op 9 mei 1619 werden twee dochters gedoopt, de ene genaamd Gertruidt en de andere Lisabeth. Bij alle dopen in Nijkerk werd als moeder vermeld: Sibilla Lose.

Zoals hierboven geschreven, Anthonie hield het 8 jaar uit in Nijkerk. Hij vertrok in 1620 en werd op 28 februari 1620 door de Schepenen en Raden van Kampen aangesteld tot “Franschen” schoolmeester in plaats van Johan de Vos voor een traktement van 180 caroligulden per jaar, hij kreeg geen vergoeding voor huishuur en voor zijn dienst aan de Latijnsche school  kreeg hij nog eens 50 caroligulden per jaar. In de loop der jaren verzocht Anthonie echter diverse keren om verhoging van zijn traktement. In 1625 kreeg hij een verhoging van 25 caroligulden. In 1630 werd hij behalve schoolmeester ook nog koster en kreeg boven de 50 guldens die hij voor de dienst in de Latijnsche school kreeg nog eens 25 gulden extra. In 1632 werd Willem Angel uit Utrecht als Franse schoolmeester aangesteld in Kampen. Deze ging 180 caroligulden per jaar verdienen die van het traktement van Anthonie werden afgetrokken, maar in 1635 kreeg Anthonie alweer een verhoging van zijn traktement als Franse schoolmeester. In 1639 volgde nog eens een verhoging “om consideratien”. Alles werd genoteerd in de apostillen en resoluties van de Schepenen en Raad van Kampen. Op 9 november 1652 verzocht schoolmeester Claes Janssen om in het vacerende schoolmeestersambt van Kampen te worden benoemd. Dit omdat meester Antoni Calffsbeeck was overleden. Claes Janssen  werd daarop benoemd. In 1653 verzocht Berent Berents Puttman om in het huis van zaliger meester Calsbeeck school te mogen houden. Het werd hem toegestaan. Anthonie liet ook in Kampen kalligrafisch werk na. Hij tekende de letters van een tolbord, dat nog in het bezit is van het Stedelijk museum Kampen, klik hier.

De namencombinatie Anthonie en Calsbeeck en Sibilla is al redelijk uniek en de kans dat er nog een tweede echtpaar met dezelfde namencombinatie is lijkt bijna nihil, temeer omdat het beroep van Anthonie ook nog eens schoolmeester was. Het gekalligrafeerde tekstbord in Nijkerk en het tolbord in Kampen wijzen ook nog eens naar dezelfde persoon, kalligraferen kun je ook niet zomaar. Dat de Anthonie in Kampen dezelfde was als die in Nijkerk blijkt ook nog eens uit een tweetal aktes in het rechterlijk archief van Kampen waarin ook de achternaam van echtgenote Sibilla is vermeld:

Op 23 april 1631 gaf Sybilla Loesens volmacht aan haar echtgenoot Anthoni van Calsbeeck om namens haar een huis te verkopen in Düsseldorf en op 3 augustus 1643 verstrekte Goedefrund te Loesen, goudsmid in Düsseldorf een volmacht aan zijn zwager Anthonius Calsbach om zich naar Middelburg te begeven om van de bewindhebbers van de VOC de gage te vorderen van comparants zoon Johan Loesen die in dienst van de VOC op het schip … [akte niet afgemaakt]. Ook deze beide aktes staan opgetekend in het oud archief van Kampen. Lose of Loesen(s), het is maar net wat de schrijver ervan maakte. Het is dus zeer waarschijnlijk dat Anthonies echtgenote Sibilla Lose of Loesen(s) afkomstig was uit Duitsland en dan uit (de buurt van) Düsseldorf.

Van Anthonie en Sibilla weten we dan dat ze de volgende kinderen lieten dopen:

1. Elizabeth (1610) en 2. Johannes (1611) beiden in Nijmegen en verder 3. Hendrik (1613), 4. Robert (1616) en 5. Geertruid en 6. een tweede Elisabeth (beiden in 1619), de laatste vier in Nijkerk (Gld). Vanaf 1620 tot aan zijn dood in 1652 woonde Anthonie in Kampen. De doopboeken uit Kampen zijn vóór het jaar 1623 niet bewaard gebleven en vanaf 1623 werden daar geen kinderen meer van Anthonij en Sibilla gedoopt. In het ontbrekende deel tussen 1619 in Nijkerk en 1623 in Kampen werd zeer waarschijnlijk de jongste zoon Anthonie geboren, welke in IJlst als Anthonie Anthonies Calsbeeck trouwde. Ook zoon Robert ofwel Robertus werd later in Sneek weer vermeld met het patroniem Anthonies. Bovendien wordt er bij hen verwezen naar Kampen als plaats van herkomst, in het (onder)trouwboek zelf of in het burgerboek. Dat maakt het voor mij duidelijk dat deze beiden zonen waren van Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose. Een derde zoon, Hendrik (gedoopt 1613 in Nijkerk), vestigde zich later in Hasselt (Overijssel) en werd daar goudsmid, een beroep dat in de familie van zijn moeder al bekend was. Al deze drie zonen hadden ook nog eens een dochter met de naam Sibilla.

Verder vindt je in de hierboven al gemelde publicaties en overal op internet (door smartmatches en dergelijk ongecontroleerd aan elkaar gekoppelde) vermeldingen terug van nog een andere zoon van (de vermeende) Johannes en Sibilla, genaamd Fonger of Fongerus. Voor het bestaan van deze Fonger als zoon van (de vermeende) Johannes en Sibilla is naar mijn inzicht echter geen bewijs te vinden. Wel had de schoolmeester Anthonie Calsbeeck te IJlst een zoon Fonger, daar gedoopt in het jaar 1650. Misschien is deze vernoemd naar een jong overleden broertje (misschien zelfs wel een tweelingbroertje)  van vader Anthonie Anthonies Calsbeeck, maar dat is niet meer dan een veronderstelling, er is geen bewijs.  De voornaam Fonger komt voor zover ik heb kunnen nagaan niet voor in de familie van Anthonies eerste vrouw Aaltje Broersma.

Ook vond ik in publicaties (hoofdzakelijk op internet) diverse vermeldingen van een Sibilla Rommerts of Sibilla Fongers als echtgenote van een Johannes Calsbeeck. Waarop dat is gebaseerd, het is me onbekend. Dit echtpaar heb ik in de archieven niet kunnen terugvinden. Gelet op alles wat hierboven staat ga ik ervan uit dat het echtpaar Johannes Calsbeeck en Sibilla Rommerts (Fongers) nooit heeft bestaan . Maar ik kan ook niet alles overzien en als er toch bewijs is dan hoor ik dat graag.

Ik ben er dan ook van overtuigd, ook gelet op het bovenstaande, dat als oudste generatie van het geslacht Kalsbeek (op dit moment) Anthonie Calsbeeck en Sibilla Lose kunnen worden aangewezen.

Maar is Johannes Calsbeeck, die in 1629 belijdenis van geloof deed in Kampen volledig uit beeld verdwenen? Dat ook weer niet, daarover meer in een volgend bericht, klik hier en een afronding met “losse eindjes”, klik hier.

, , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Stiekem gedoopt

Dit is het vervolg van “Huwelijksproblemen Ynse en Ritskje”, klik hier.

Eén punt is tot nu toe in het verhaal over de huwelijksproblemen van Ynse van der Veen en Ritskje Nieuwenhuis uit Leeuwarden onderbelicht gebleven, terwijl het wel belangrijk was in de gevoerde processen. Ynse en Ritskje hadden samen een dochter, Maria genaamd. Het kind was op 9 januari 1798 in het huis van grootmoeder Catharina Ruitinga weduwe Nieuwenhuis geboren, waar anders. Rondom die geboorte speelde zich weer een familiedrama af. Aan Ynse was niet verteld dat Ritskje het leven aan een dochter had geschonken, aan zijn moeder overigens wel. Ynse wilde daarop moeder en kind zien, maar dat werd hem botweg geweigerd, hij kwam niet meer binnen. Ook de “kraambewaardster” Maria Rosendal, weduwe van Frederik Klenter, ontzegde Ynse de toegang tot het kraamhuis. Maria verklaarde dat Ritskje, toen ze hoorde dat haar man aan de deur stond, in grote paniek raakte. Ze was nauwelijks nog tot bedaren te brengen. ’s Nachts werd Ritskje af en toe wakker na een nachtmerrie waarin ze had gedroomd over Ynse voor wie ze vol “vrees en schrik” was. Deze verklaring zal zeker hebben meegespeeld in de beslissing van de rechters.

Moeder Ritskje wilde wel dat het kind werd gedoopt. Daarom stond de burger A. Hobbema ineens op de stoep van Ynse en vroeg of hij genegen was het kind ten doop te houden. Dat liet Ynse zich echter niet door die burger vragen. Hij zag een kans en ging naar de toenmalige voorzitter van de gemeenteraad die bode Ferwerda met Ynse meestuurde om naar het huis van diens schoonmoeder te gaan. Daar werd Ynse opnieuw de toegang geweigerd door in dit geval de oudste zuster van Ritskje. Behalve de bode keek ook de echtgenote van Hobbema mee tijdens dat bezoek. Op zijn vraag of Ritskje met het kind bij hem kwam wonen kreeg Ynse als antwoord “dat zulks niet zoude geschieden”. Ynse keerde onverrichter zake terug en beklaagde zich bij de voorzitter. Die gaf daarop opdracht aan koster Titus van Kooten om geen doopbriefje af te geven zonder voorkennis van Ynse. Er kon dus niet worden gedoopt  in Leeuwarden.

Maar de familie Nieuwenhuis had een plan. De timmermansknecht Johannes Trippenzee werd op pad gestuurd met een briefje van Ritskje. Hij ging naar Deinum, naar de predikant Johannes Groenewoud en stond daar op zondagmorgen 11 februari 1798 om acht uur voor de deur. Het verzoek van Ritskje was om nog diezelfde middag haar kind te laten dopen. Het kind was volgens het briefje in onecht verwekt door Ynse van der Veen. De dominee vroeg aan Trippenzee waar de vader van het kind dan was. Het antwoord luidde dat dit niet bekend was. Ook moeder Ritskje zelf was te zwak om naar Deinum te komen en er zouden in haar plaats getuigen meekomen. Dominee Johannes trapte in de smoes, stemde toe en ’s middags werd het kind gedoopt. Als getuigen traden op de echtgenote van Trippenzee (Maria Blom),  die ook de belofte aflegde en de echtgenote van stadsbode Hobbema (Antje Pieters Zijlstra). Volgens Ynse was Maria Blom de grootste vriendin van Ritskje. Het kind werd ook naar haar genoemd, Maria dus. Dominee Groenewoud moest zich later verklaren en gaf aan dat achteraf ook aan hem was gebleken dat Ritskje de echtevrouw (wettige echtgenote) was van Ynse van der Veen. Ondanks alle uittreksels van de doopakte die zowel in de processtukken als in de huwelijksbijlagen zijn aangetroffen staat deze doop echter niet vermeld in de nog aanwezige doopboeken van Deinum bij Tresoar. Heeft dominee Groenewoud het toch maar niet opgeschreven omdat hij zich bedrogen voelde?

Formeel gezien had Ritskje gelijk, ze was al in verwachting toen ze met Ynse trouwde, maar als een kind werd geboren als de ouders intussen waren getrouwd werd het niet meer als buitenechtelijk beschouwd.

Misschien ligt daar ook wel de hele crux van de problemen tussen Ynse en Rikstje. Misschien wilde de notarisfamilie Nieuwenhuis Rikstje behoeden voor wat toen werd gezien als de schande van het krijgen van een buitenechtelijk kind. Daarvoor was een huwelijk met verwekker Ynse noodzakelijk, maar hij was niet de ideale schoonzoon. Ynse, koopman, dacht een slaatje uit te slaan uit het gedwongen huwelijk door duizend gulden te eisen. Dat viel verkeerd, hij mocht vanaf de dag na het huwelijk overdag niet in het huis van schoonmoeder komen, werd steeds meer weggehouden van zijn wettige echtgenote, gedroeg zich dominant tegenover zijn echtgenote om te proberen haar onder moeders plak uit te krijgen, ging af en toe door het lint tegen die schoonmoeder  en werd na een paar maanden huwelijk zelfs afgedroogd door een zwager, waarna Ynse op zichzelf ging wonen. Wat weer reden was om hem compleet aan de kant te schuiven. Ynse was zelf ook niet erg behulpzaam om een eind aan de toestand te maken.

Ritskje hertrouwde in 1813 in Bergum met de koopman en cichoreifabrikant Eelke Boonstra, maar dit huwelijk duurde slechts twee jaar door het overlijden van Eelke. In de huwelijksbijlagen is een schriftelijke verklaring opgenomen van moeder Catharina Ruitinga die aangaf te “consenteeren en volkomen genoegen te neemen in het huwelijk”.  Ritskje en Eelke trouwden onder huwelijksvoorwaarden die uitvoerig zijn beschreven in het notarieel archief van Gerrit Wilhelmij, (kantoor Bergum I, repertoire 012030).

Het stiekem gedoopte kind, Maria, was alleen maar speelbal in deze tragedie. Ze ging met haar moeder mee naar Garijp. Daar trouwde ze met Theunis Wyminga, kreeg 9 kinderen en overleed in 1857 in Oudega (S), slechts een paar jaar na haar moeder.

, , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Huwelijksproblemen Ynse en Ritskje

Dit is een vervolg op de fragmentgenealogie Van der Veen / Van der Feen die als bijlage het vorige bericht is gevoegd, klik hier.

Ynse van der Veen (onder II-a nummer 3 pagina 3 en 4 in die bijlage) uit Leeuwarden werd  op 14 mei 1773 geboren als zoon van Reinder van der Veen en Titia van Campen.  Hij trad op 17 juli 1796 voor het eerst voor het voetlicht als kapitein van de Kweekschool Jonge Artilleristen in Leeuwarden. In een advertentie in de Friesche Courant, “in het tweede jaar de Bataafse vrijheid”,  werden jongelingen tussen de 12 en 18 jaar opgeroepen om zich aan te melden voor exercitie en het zich kundig maken in de “voor ons Land zo nuttigen taak als die der Artillery”. Ynse had zich dus aan het Bataafse gedachtengoed verbonden.

Ynse werd koopman en ging zich bezighouden met het woningaankleding. Hij startte een winkel in interieur- en behangartikelen, verkocht verfwaren, was “fabriquer van Vriesch groen”, waarschijnlijk verf met een kenmerkende groene kleur. Op 20 augustus 1797 trouwde hij met Ritskje, een dochter van de reeds overleden notaris Jan Nieuwenhuis en  van Trijntje Ruitinga. Het was een “moetje”, Ritskje was toen al in verwachting. Voordat een huwelijk kon worden gesloten moest het eerst drie keer worden geproclameerd. Dit om aan belanghebbenden de gelegenheid te geven eventuele bezwaren te uiten. Nadat het huwelijk van Ynse en  Ritskje voor de eerste keer was geproclameerd was Ynse ’s avonds laat brutaalweg naar zijn aanstaande schoonmoeder toegegaan en had maar liefst duizend gulden geëist. Als hij dat niet zou krijgen, zou Ynse de voortgang van de proclamaties stopzetten. Aanstaande schoonmoeder Trijntje weigerde, waarop Ynse doorgaf aan de stadsbode Bonnema dat hij afzag van het huwelijk.  Ynses moeder bemiddelde echter en men werd het weer eens. Het huwelijk kon toch doorgaan. Ynse en Ritskje hadden afgesproken dat ze tot mei 1798 bij Ritskjes moeder in huis zouden intrekken. Aldus gedaan, maar op de eerste dag na de huwelijksdatum had schoonmoeder Catharina al tegen Ynse gezegd dat hij in het vervolg ’s morgens vroeg het huis moest verlaten en daar niet eerder dan ’s avonds na tien uur mocht terugkomen.

Dat kon niet goed blijven gaan, de zaak escaleerde. Op 1 november 1797 werd Ynse door zijn zwager Heert Kingma, getrouwd met schoonzuster Doetje Nieuwenhuis, in elkaar geslagen en voelde zich daardoor gedwongen te vluchten uit het huis van zijn schoonmoeder, waarna hij zijn eigen huishouding begon. Overigens zonder zijn vrouw die bij haar moeder bleef wonen. Ynse praatte met zijn vrouw, ging naar het huis van schoonmoeder maar werd niet binnengelaten, schreef een brief en deed allerlei pogingen om Ritskje naar zijn eigen huis te halen. Hij had al eens tegen zijn schoonmoeder gezegd dat zij zich niet met zijn huwelijk moest bemoeien:  “het is mijn vrouw, ik ben daar meester over”. Het baatte hem niet. Zo langzamerhand was er sprake van vijandschap tussen hem en zijn schoonfamilie. Ynse schold zijn schoonmoeder, de notarisweduwe,  uit voor “dou blixem”, nadat ze weer eens ruzie hadden. De familie Nieuwenhuis zag Ynse als een bullebak die zijn vrouw zeer onheus bejegende, bedreigde en grote angst inboezemde. Eenmaal had Ritskje toegezegd toch bij hem te komen wonen. Die toezegging was echter al heel gauw ingetrokken. Bovendien zou Ynse volgens zijn schoonfamilie ook nog eens in een kot of hol in de Driedaalderssteeg wonen. Dat was zeker geen plaats voor de dochter van een notaris. Ynse gaf echter aan een keurig huis te hebben  gehuurd dat zeker naar de zin van Ritskje zou zijn. Maar de schoonfamilie stookte volgens hem Ritskje zodanig op dat ze helemaal verblind was voor zijn goede bedoelingen.

Uiteindelijk kwam Ynse tot de erkenning dat het geen zin had te proberen zijn echtgenote bij zich in huis te krijgen en hij vroeg seclusie (scheiding) aan bij het Hof van Friesland wegens kwaadaardige verlating. Dan zou hij kunnen hertrouwen. Ritskje verscheen helemaal niet tijdens dat eerste proces. Maar ….., Ynse kreeg toch nul op het rekest van het Hof, zijn verzoek werd op 29 maart 1803 afgewezen.

Die uitspraak kreeg een vervolg. Als hij niet mocht scheiden dan wilde Ynse dat Ritskje bij hem in huis zou komen wonen. Weer ging er een verzoek naar het Hof. Ynse liet getuigen opdraven, meest oude buren, die aangaven dat hij een beminnelijk man was. De familie Nieuwenhuis zag het anders, Ynse was een bullebak. Ritskje had nog wel het aanbod gedaan om dan maar te scheiden van tafel en bed. Zuster Femkje Nieuwenhuis legde een verklaring af over kwaadaardige verwijten, hoon en smaad die Ynse aan Ritskje had toegebracht en dat hij  haar bovendien bedreigde met vreselijke bewoordingen en gebaren. Zo moest Ritskje ’s nachts zelf wel het bed uit vluchten om aan Ynse te ontkomen. Moeder Trijntje alias Catharina vertelde hetzelfde verhaal. Ze had gedreigd de ratelwacht of andere assistentie in te schakelen als Ynse niet ophield haar dochter te bedreigen en te intimideren. Volgens Catharina Ruitinga had Ynse zelf haar huis vrijwillig verlaten. Ook deze keer ving Ynse bot bij het Hof, zijn verzoek werd opnieuw afgewezen. Ritskje hoefde niet bij Ynse komen wonen en de door hem zo gewenste huwelijksplichten te vervullen. Ritskje verliet op 12 april 1804 het huis van haar moeder en begon in Garijp een winkelnering. Begin januari 1805 deed ze daar aangifte van diefstal van doek uit haar winkel en van trijp, een dure stof, gemaakt van geitenhaar. Ze kon de diefstal niet verklaren. Zou Ynse misschien …? Maar dat laatste staat niet in de aangifte.

Intussen gingen de zaken van Ynse ook door. In 1802 adverteerde Ynse met nieuwmodisch papieren behang, hij woonde toen op de Vleesmarkt aan de Nieuwe Pijp in Leeuwarden. In maart / april 1807 adverteerde hij met fitriool-olie omdat hij had uitgevonden dat je hierdoor “het Weder uit de glazen” kon krijgen en met zijn uitvinding waarbij je van één pond was twee kon maken en ook hoe je een soort stijfsel kon maken waarmee je kon wassen en het resultaat zou beter zijn dat bij het wassen met groene zeep.  Hij woonde toen op de hoek van de Nieuwe Steeg in Leeuwarden, hetzelfde adres als in 1802. In de laatste jaren lardeerde hij zijn advertenties met zinspreuken.

advertenties Ynso van der Veen

Het was allemaal zeer teleurstellend afgelopen voor Ynse, hij had zijn liefde voor Rikstje geuit, zijn goede wil betoont, er alles aan gedaan om Rikstje thuis te krijgen en nu dit, volgens Ynse althans. De laatste uitspraak van het Hof was op 27 oktober 1806. Daarna ging het bergafwaarts met Ynse. In april 1807 waarschuwden door het Hof van Friesland aangestelde curatoren, waaronder zijn broer Feico, al om geen zaken meer met Ynse te doen, het Hof van Friesland had hem op 14 april 1807 de administratie over zijn goederen ontnomen. Op 4 mei van dat jaar verkochten die curatoren al zijn bezittingen in een boelgoed. De winkel stond zoals eerder geschreven op de hoek van de Nieuwe Steeg aan de Vleesmarkt (de tegenwoordige Nieuwestad). Maar op 7 of 8 juli 1807 kreeg hij van het Hof alweer de vrije administratie over zijn goederen terug. Half juli 1807 verbleef hij in “De Ster” bij de Hoeksterpoort ten huize van de kastelein H. Westra. Eind juli 1807 had hij alweer een winkel, nu in de Grote Kerkstraat naast het postkantoor en adverteerde in de Vriesche Courant met verf en behang. Niet lang daarna, op 22 november 1807, overleed hij  in Bakkeveen en werd begraven in Duurswoude. In Bakkeveen woonde nogal wat familie, misschien heeft hij bij hen zijn heil gezocht. In 1810 is er al weer sprake van de gerepudieerde boedel van Ynse en van een curator die de zaken afhandelde. Het was Ritskje zelf die de boedel van Ynse had gerepudieerd zoals blijkt uit een notariële akte uit 1813 waarin de huwelijkse voorwaarden worden beschreven van haar tweede huwelijk.

Dit verhaal is niet compleet en krijgt vanwege lengte nog een vervolg, er zit nog een bijzonder slot aan vast, klik hier.

, , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Mata Hari, nakomeling van een eveneens ter dood veroordeelde

In het onlangs verschenen Genealogysk Jierboek (GJB), jaar 2017 van de Fryske Akademy is opgenomen de kwartierstaat van Margaretha Geertruida Zelle alias Mata Hari. Zoals bekend werd Mata Hari in 1917 in Frankrijk als spion ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, na een turbulent leven. Haar voorouders met de kwartiernummers 46 en 47 in de publicatie, zijnde Feike Reinders en Froukje Sjoerds komen me heel bekend voor en dan vooral Feike Reinders. In het GJB 2017 zijn de ouders van Feike niet meer opgenomen en dus mogelijk onbekend aan de schrijvers van het artikel. Die voorouders zijn mij echter wel bekend.

Feike Reinders is een broer van mijn eigen voorouder Teetske Reinders, die achtereenvolgens was getrouwd met Sweitze Linzes en Halbe Tjeerds. Na het overlijden van haar eerste man en voor het huwelijk met Halbe Tjeerds had Teetske een relatie met Pieter Baniers uit Drachten. Er werd zelfs een dochter geboren uit die relatie.

Maar Pieter Baniers wilde zich niet binden aan Teetske, hij weigerde zijn trouwbeloften gestand te doen en het huwelijk te laten bevestigen. Dat leidde tot een civiele zaak voor het Hof van Friesland inzake trouwbeloften en ook tot een criminele zaak voor dat Hof toen Pieter in diezelfde tijd in ondertrouw ging met nog een andere vrouw. Zonder op deze zaken op dit moment te diep  in te gaan blijkt uit verklaringen in beide  zaken duidelijk de familierelatie tussen Feike Reinders en Teetske Reinders.

In april 1738 legde Feike Reinders een verklaring af ten gunste van zijn zuster Teetske. Hij was op dat moment koekebakkersknecht te Leeuwarden en oud in het 27e jaar. In de zomer van 1737 was hij op bezoek geweest bij zijn ouders in Zuiderdragten. Daar trof hij ook Pieter Baniers, aan wie hij had gevraagd of het voorgenomen huwelijk met zuster Teetske binnenkort zou worden voltrokken. Pieter had bevestigend geantwoord. In allerlei stukken in de betreffende processen wordt duidelijk dat Feike en Teetske kinderen waren van het echtpaar Reinder Ynses en Aaltje Romkes in Zuiderdragten. Nog een andere zoon van dit echtpaar, Wytse Reinders, speelde ook een rol. Wytse was meester bakker in Menaldum en zowel hij als zijn echtgenote Hiltje Siccama legden verklaringen ten gunste van Teetske af. Alle kinderen van Reinder Ynses en Aaltje Romkes werden gedoopt in Drachten. Een andere dochter, de jongste, het nakomertje, Sara geheten, wordt in de processen niet vermeld. Ze was daarvoor nog te jong.

Vader Reinder Ynses werd in 1684 gedoopt in Drachten als zoon van Ynse Reinders en Teetske Alles. Dat brengt me bij het Genealogysk Jierboek, jaar 1996 waarin opgenomen de kwartierstaat van Tina Annes Voolstra, opgesteld door Onno Hellinga, blz. 120, de kwartiernummers 574 en 575, waar dezelfde Ynse Reinders en Teetske Alles ook worden vermeld. Teetske Alles was een kleindochter van Evert Sjoerds Haxta.

Het is deze Evert Sjoerds Haxta die evenals zijn nakomeling Mata Hari ter dood werd veroordeeld en werd geëxecuteerd. Mata Hari stond voor het vuurpeloton en Evert Sjoerds Haxta werd onthoofd met het zwaard.

Evert Sjoerds Haxta uit Terzool stak op 22 februari 1617 te Roordahuizum (Reduzum) in een herberg met een mes een zekere Hoite Melis in de arm en toen Douwe Tjallings uit Friens vroeg waarom hij dat deed stak Evert vervolgens deze Douwe met het mes in de linkerborst. Eenmaal buiten de herberg zwaaide Evert ook in het gebuurte van Reduzum nog met zijn bebloede  mes om zich heen. Evert  raakte daarbij opnieuw in gevecht met Hoite Melis. Douwe Tjallings overleed ten gevolge van die messteek in de hartstreek. Evert kreeg door dat het foute boel was en ging er vandoor. Hij verbleef een tijdlang op Ameland, wat destijds een heerlijkheid was, eigendom van een heer, en als zodanig apart stond van Friesland. In de tijd dat hij voortvluchtig was verwekte hij bij twee verschillende vrouwen een kind.

Uiteindelijk kreeg justitie Evert toch te pakken, hij moest voor de rechters van het Hof van Friesland verschijnen en op 16 februari 1633 hoorde Evert de uitspraak: “omme bij den scherprechter op het schavot geleidet, metten swaerde geëxecuteerd ende van ’t leeven ter doodt gebracht te worden”. Het Hof van Vriesland gunde zijn lichaam nog wel een begrafenis.

Meestal volgde in een dergelijk proces een ophanging als straf, maar hier dus een onthoofding en een “gewone” begrafenis. In het geval van ophanging bleven de lijken van terechtgestelden bijna altijd achter op het executieterrein ter afschrikking. Die buurt in Leeuwarden heet niet voor niets Droevendal.

Evert genoot bij zijn leven nog een andere “gunst” van justitie. Tijdens zijn gevangenschap voor de veroordeling en executie kreeg hij verlof om in de kamer van de cipier te verblijven. Hij hoefde dus niet constant in het donkere “gevangenishol” te zitten. Daar waren wel voorwaarden aan verbonden, Evert moest in die cipierskamer boeien dragen en er moest daar ook een bewaarder op Everts kosten aanwezig zijn. Verder moest er een borgsom van 500 goudguldens worden gestort tegen eventueel ontvluchten.

Dat alles laat zien dat Evert Sjoerds Haxta niet onbemiddeld was, hij was van “goede komaf”. Als je de kwartierstaat Voolstra in het GJB volgt kom je via zijn moeder, die een Heslinga was, uiteindelijk terecht bij Epe Douwes Aylva, die rond 1416 in Witmarsum woonde, bij de Gerbranda’s, de Ockinga’s en de Camstra’s. Niet de eersten de besten dus in het historische Friesland.

Haxta/Hagsta sate in Terzool

Via Evert Sjoerds Haxta, Feike Reinders en anderen  stamt Mata Hari dus ook van deze oude Friezen af.

Om wat dichterbij in de tijd te blijven heb ik (vanaf lange jaren geleden) de gegevens van de nakomelingen van Feike Reinders, de koekebakkersnecht en Froukje Sjoerds verzameld. De familie noemde zich Van der Veen en ook Van der Feen. Die achternamen werden afwisselend en soms ook tegelijkertijd gebruikt. Het maakte destijds niet zoveel uit of je achternaam met een V of met een F werd geschreven.

In een bijlage bij deze publicatie heb ik een fragmentgenealogie Van der Veen / Van der Feen toegevoegd, klik hier.

Van één persoon in dit nageslacht van Feike Reinders zijn zoveel bijzonderheden bekend dat ik diens verhaal opneem in een volgende publicatie, klik hier.

, , , , , , , , , , , , , , , ,

1 reactie