Obbe Meints Visser en verder (1)

Van sommige families kun je nauwelijks bijzonderheden in de archieven vinden, andere families lijken daarin te grossieren. Dat laatste lijkt het geval te zijn bij het nageslacht van Obbe Meints Visser (1761-1819) uit Veendam. Obbe trouwde daar in 1791 met zijn nicht Sophia Swerus (1771-1813). Sophia Swerus zou eigenlijk Sophia Assuerus moeten heten maar de Groningers korten alles zoveel mogelijk af, dus Assuerus werd Swerus. Obbe en Sophia kregen voor zover ik heb kunnen nagaan tien kinderen, allen geboren in Veendam tussen 1792 en 1813.

Obbe Meints Visser was scheepskapitein. Zijn vrouw staat echter als “landbouwersche” te boek en in 1805 werd er door het gerecht van het Oldambt onderzoek gedaan betreffende diefstal van turf uit het veen van Obbe in Veendam. Men was dus op meerdere fronten actief. In februari 1796 stond Obbe als vervanger op de lijst van kiezers die een representant voor de nationale conventie van de Bataafse republiek mochten kiezen voor de Veenkoloniën, afdeling Veendam.

Nadat Obbe in 1813 nog de geboorte van zijn zoon Jacob had aangegeven en nadat zijn vrouw vijf maanden later was overleden verdween hij van de radar. Dat blijkt uit gegevens in de trouwakte van zoon Meint in 1819. Daarin staat vermeld dat Obbe (in 1819) al zes jaar absent was. Obbe kon dus ook geen toestemming geven voor het huwelijk.  In juli 1814 werd Obbe nog vermeld als eigenaar van het schip “Vrouw Sophia” in Veendam. Dat was zo ongeveer het laatste wat van Obbe in de Nederlandse archieven te vinden is.

Obbe Meints Visser 6 jaar absent

Obbe Meints Visser 6 jaar absent

Later kwam er toch bericht over zijn verblijfplaats. In 1823 trouwden zoon Swerus en dochter Janna. Uit aktes opgemaakt rondom die beide huwelijken blijkt dat Obbe Meints Visser op 11 februari 1819 in het Oost-Pruisische Memel was overleden en daar op 14 februari op het “Reformierte Kirchhof” werd begraven. Klik hier voor meer informatie over deze kerk.

Obbe Meints Visser overleden Memel

Obbe Meints Visser overleden Memel

Memel heet nu Klaipéda en ligt door geschuif met grenzen in, tussen en na WOI & II nu in Litouwen. Uit (toen nog) Duitsland kwam zijn overlijdensbericht en er stond tevens in aangegeven dat Obbe zes kinderen naliet. Hoe men dat in Memel wist is niet duidelijk, Obbe heeft daar waarschijnlijk wel iets over losgelaten. Het is echter ook niet zeker dat hij in Memel woonde, als scheepskapitein kon hij zonder vaste woon- of verblijfplaats zijn. Obbe was overleden aan “narvenfieber”, zenuwkoorts (typhus of dysenterie). Omdat Sophia al in 1813 overleed en Obbe vanaf datzelfde jaar absent was bleven de kinderen in 1813 alleen achter.

De oudste zoon Meint Obbes Visser (1792-1829) vertrok naar Amsterdam waar hij in 1819 trouwde met Willempje Musegaars. Meint was volgens de trouwakte zeeman. Hij sneuvelde op 20 maart 1829 op het eiland Banka (Bangka) in Oost-Indië en was op dat moment tweede stuurman bij de koloniale marine.

overlijden Mein Obbes Visser

overlijden Mein Obbes Visser

Volgens een memorie van successie in Groningen was Meint overleden op 7 maart 1829. Zijn erfgenamen waren in gebreke gebleven opgave van de nalatenschap te doen. In de ambtshalve opgemaakte memorie werd alleen een zuster, de vrouw van Jan van Oost, als één van de erfgenamen genoemd. Het was de belastingheren in Groningen kennelijk ontgaan dat Meint was getrouwd en ook nog een zoon had. Deze zoon met de voor noordelingen wat vreemd klinkende naam Obbes Meint Visser was in 1821 in Amsterdam geboren. Een teken dat men in Amsterdam niet erg goed raad wist met patroniemen. Zijn leven lang werd hij steeds vermeld als Obbes Meint Visser en hij had zelf ook een zoon met de voornamen Obbes Meint (geb. 1859). Weduwe Willempje Musegaars hertrouwde in 1835 in Amsterdam met de kaarsenmaker Rikent Vedder.

overlijden Willempje Musegaars

overlijden Willempje Musegaars

Obbes Meint Visser (geb. 1821), zoon van Meint en Willempje, was ook kaarsenmaker en later winkelier en trouwde twee keer in Amsterdam. Uit zijn eerste huwelijk met Anna Catharina Groenewoudt werd onder anderen in 1855 in Amsterdam een zoon Rikent Willem Visser geboren. Rikent Willem was vernoemd naar zijn stiefopa Rikent Vedder en zijn oma Willempje Musegaars. Rikent Willem nam in 1883 de zuivelhandel van zijn vader over.

overdracht firma O.M. Visser en zoon

overdracht firma O.M. Visser en zoon

Rikent Willem Visser trouwde twee keer. Zijn tweede vrouw was Eilke Venema (1864-1944) met wie hij in 1908 in Amsterdam trouwde. Eilke was een dochter van de schoolmeester van Enumatil Jan Venema en diens echtgenote Doortje Kooij. Eilke had al het een en ander meegemaakt in haar leven. Ze was eerder getrouwd (in 1885 in Leek) met dominee Johan Barger (1853-1909). Deze dominee was geboren in Amsterdam en had gestudeerd in Utrecht. In 1880 werd hij Hervormd predikant in Goudswaard. Door omstandigheden legde hij zijn bediening in 1882 neer, maar in 1883 stond hij weer op de kansel in Lettelbert / Enumatil als hulpprediker en een poos later als predikant. In 1885 vertrok hij naar Garnwerd en vandaar in 1888 naar Harlingen.

In 1894 vermoorde dominee Johan Barger in Harlingen een jonge naaister die zijn vrouw Eilke Venema hielp. Johan Barger werd daarvoor tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld en hij overleed in 1909 in de Leeuwarder strafgevangenis. Johan Barger werd bekend als “de blikken dominee” en aan hem hebben we het “Tarara boemdiee, de blikken dominee” etc. te “danken”. Op Johan Barger kom ik in deze serie nog terug.

Maar ook over sommige van de andere kinderen van Obbe Meints Visser en Sophia Swerus zijn nog genoeg bijzonderheden te vertellen. Daarover meer in een volgend blog.

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Tweede miljoenen-juffrouw (3)

Dit is een vervolg op miljoenen-juffrouw (1) klik hier en miljoenen-juffrouw (2) klik hier.

Nadat Trijntje de Jong, de tweede miljoenen-juffrouw, voor de tweede keer een jaar in de gevangenis had doorgebracht bleef het niet rustig rondom haar. Ze werd diverse keren vermeld in de kranten. Nog in 1888 werd ze al weer in Groningen gesignaleerd, waar ze bij de heer B. verschillende goederen op de pof kocht, die ze bij de trein afgeleverd wilde zien. Meneer B. schakelde echter de politie in en daarna had Trijntje alsnog vlot betaald. In april 1889 werd Trijntje opnieuw gearresteerd in Groningen wegens overtreding van de “vergunning”. Er werd een halfvolle fles wijn bij haar in beslag genomen. Trijntje logeerde toen in de stad in hotel Friesland en was aangereisd vanuit Harlingen, waar ze naar verluid een mooie hoed zou hebben gestolen. Ze werd echter al gauw weer vrijgelaten. Ze keerde wel steeds terug naar Drachten.

In juni 1890 nam de Christelijke Gereformeerde predikant Douma van Drachten afscheid wegens vertrek naar Rotterdam. Trijntje zou een trouwe kerkganger zijn geweest bij deze dominee. Hoe dat valt te rijmen met haar overgang naar de Rooms Katholiek kerk, zoals eerder werd vermeld, is niet helemaal duidelijk. Trijntje had ’s morgens wat sterk van de “Schiedammer” gebitterd. Ze liep daarna niet helemaal in rechte lijn naar het kerkgebouw. Eenmaal in de kerk wilde ze een lied zingen. Niet het juiste lied waarschijnlijk en denkelijk niet met gepaste eerbied, want de politie kwam eraan te pas om haar te verwijderen, waarna Trijntje in verzekerde bewaring werd gesteld.

Dat is het begin van een aantal krantenartikelen waarin Trijntje vooral in combinatie met “Schiedammer” en “de vergunning” wordt vermeld. Zo had ze op haar verjaardag een aantal Duitse muzikanten over de vloer. Trijntje danste op de muziek in het wit gekleed en met een roosje op de borst. Hoe later het werd, hoe minder de Duitse muzikanten in staat bleken nog een toon uit hun muziekinstrumenten te persen. De dorpsgenoten begonnen zich aan het rumoer rondom Trijntje te ergeren. Trijntje begon uitstapjes met de tram te maken. Haar lievelingskleding was een zwarte jurk met witte sluier en witte klompen. Jawel , een “barones” op witte klompen. In Gorredijk viel ze tijdens één van die uitstapjes op, ze waggelde door de straten, gevolgd door een joelende menigte. Ze werd door twee mannen afgezet bij het tramstation en vertrok daarmee weer richting Drachten. Trijntje verbraste op die manier al het geld dat ze nog had.

Trijntje leek echter tot inkeer te komen, ze liet in 1890 een advertentie in de krant plaatsen waarin ze een ieder die sterke drank verkocht vroeg om dat niet meer aan haar te leveren. In 1891 verschenen alweer artikelen over een vrolijke Trijntje die een “snapsje” had gebruikt en een feestje organiseerde. Er waren muzikanten uitgenodigd. Maar plotseling was Trijntje verschenen met een roestige sabel en had de muzikanten van haar erf verjaagd en daarna het toegestroomde publiek met de sabel bedreigd. De toeschouwers hadden echter zand en troep naar haar gegooid, waarna ze de sabel in het publiek had gesmeten. De muzikanten konden ook naar hun gage fluiten. Trijntje werd zo vaak opgepakt wegens drankmisbruik dat de auteurs van krantenartikelen vermoedden dat ze binnenkort wel naar Veenhuizen zou worden opgebracht.

In 1892 beklaagde Trijntje zich bij de marechaussee in Olterterp dat er bij haar was ingebroken en dat al haar geld was gestolen. Ook in 1892 stond er in de krant dat Trijntje van plan was lezingen te gaan houden en daarin van haar avontuurlijke leven verslag te doen. Dit om haar berooide kas te “stijven”. Het liep allemaal weer uit de hand toen ze op 5 maart 1892 voor eigen rechter ging spelen en een 11-jarig meisje haar huis in sleurde en opsloot in de kelder. De buren hadden het kind bevrijd. Een andere krant schreef dat het meisje “gratis” voor haar werkte. Trijntje werd gearresteerd en ging opnieuw met de tram richting Heerenveen. De Officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 45 dagen. Op 28 april 1892 volgde het vonnis: één maand gevangenisstraf. Die had ze waarschijnlijk al in voorarrest uitgezeten.

In oktober 1892 verliet Trijntje haar woonplaats Zuiderdrachten en vertrok naar Amsterdam. In de mensenmassa zal ze daar minder zijn opgevallen. Begin 1893 werd ze echter al weer vermeld als zijnde zonder beroep en zonder vaste woonplaats. In december 1892 logeerde ze in “Het witte paard” in de Tweede Lombardstraat in Rotterdam. Daar logeerde ook ene C. Radder, een “arme, oude stakker”, die wat geld verdiende met het breien van eiernetjes. Trijntje had een paar van die netjes gestolen. Weer stond ze voor de rechter en haar doopceel werd nog eens uitvoerig gelicht. De eis was acht maanden gevangenisstraf. De advocaat van Trijntje vond dat zijn cliënte “te donker werd gekleurd” en dat Trijntje zo slecht nog niet was. Haar straf werd vijf maanden gevangenisstraf. Ergens half 1893 moet ze weer vrijgekomen zijn.

Nog eenmaal staan er in diverse kranten in maart 1895 vermeldingen. “Naar men met zekerheid verneemt is de beruchte Trijntje de Jong –genaamd de miljoenenjuffrouw – in de strafgevangenis te Rotterdam overleden”. Uit de overlijdensakte blijkt echter dat ze op 24 februari 1895 is overleden in Rotterdam in een huis aan de Raampoortlaan. Aangifte werd gedaan door een loopknecht en een lijkbezorger.

Daarmee blijkt ook direct het probleem met de vermeldingen van Trijntje in de kranten. Duidelijk is dat ze in 1877 is veroordeeld wegens kerkdiefstal, in 1888 wegens oplichting, in 1892 wegens mishandeling en in 1893 wegens diefstal. In totaal zat ze daarvoor twee en een half jaar in de gevangenis of in voorarrest, inbegrepen een korte onderbreking in een psychiatrische inrichting in Medemblik. Onduidelijk is echter in hoeverre er bij al de krantenartikelen van een soort van mythevorming rondom Trijntje sprake is. Ze was, doordat ze zichzelf had uitgeroepen tot freule en baronesse, een bekende Nederlander geworden. Alle “nieuwtjes” rondom haar persoon werden dan ook met alle graagte vermeld. Of dat altijd de waarheid is geweest valt te bezien. Een beetje mistig is het hier en daar zeker, de verhalen en tijdstippen in de verschillende kranten zijn niet altijd eenduidig.

De enige manier om haar beeld helemaal scherp te krijgen is het nog eens uitpluizen van de rechtbankstukken die bewaard zijn gebleven. Dat hoop ik ooit nog te kunnen doen. Wie weet, misschien kan ik dan een definitief eind breien aan de levensbeschrijving deze Trijntje de Jong, geboren in 1851 in Ureterp als “dubbeltje”, wonend in Ureterp en Zuiderdrachten maar zeer bereisd in Europa, overleden in 1895 in Rotterdam zonder cent, maar vooral omringd met een aureool van miljoenen.

Een paar kranten vermeldden als epiloog: “Sic transit gloria mundi” ofwel “Zo vergaat de wereldse grootsheid; zo vergaat ’s werelds roem”

, , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Tweede miljoenen-juffrouw (2)

Dit is een vervolg op Tweede miljoenen-juffrouw (1), klik hier.

Trijntje de Jong, geboren te Ureterp in 1851, later wonend in Zuiderdrachten, wordt in kranten meestal aangeduid als zijnde de tweede miljoenen-juffrouw. Dan moet er ook een eerste zijn geweest. Dat was de Amsterdamse Jannetje Struik, die een behoorlijke erfenis had ontvangen maar al het geld binnen korte tijd had verbrast. Jannetje was echter zo slim een advertentie in Amerikaanse kranten te laten zetten waarin stond vermeld dat ze miljoenen had geërfd. Dat gaf haar enorm (onterecht) krediet in Holland, waardoor ze nog enige tijd een rijk leven kon leiden. Jannetje laat ik in dit blog verder onbesproken. Trijntje de Jong, werd gezien als haar opvolgster. Haar avonturen zijn terug te vinden in oude kranten zo tussen 1886 en 1895.

Nadat Trijntje de Jong haar straf wegens kerkdiefstal in Marum had uitgezeten keerde ze 1878 terug naar het huis van haar ouders, die in Zuiderdrachten woonden. In januari 1880 vertrok ze naar Groningen. Ze werd gezelschapsdame van mejuffrouw Zwart, wanneer precies is niet helemaal duidelijk. Van een familie Fischer had ze Spaanse, Amerikaanse en Oostenrijkse effecten gekregen. Een andere krant noemt mej. Zwart als de gever. Gekregen, althans volgens Trijntje. Volgens een Officier van justitie had ze die effecten gestolen, maar daarover is verder niets duidelijk geworden. Trijntje hield het om de een of andere reden niet meer uit in Groningen en ging op reis.

Trijntje zou haar Gereformeerde geloof hebben afgezworen en Rooms Katholiek zijn geworden. Ze ging op bezoek bij verschillende kloosters, in Brussel, Wenen, Rome, Bazel, Konstanz en in Keulen, waarna ze richting Innsbruck was vertrokken. Ze had zich als kandidaat-non gemeld bij het klooster “Ewige Anbiddung” in Innsbruck. Een klooster met die naam bestaat volgens mij niet in die stad, maar Trijntje vertelde het zo. Erg Duits klinkt die naam overigens ook niet. Misschien was ze naar Tirol getrokken om haar Oostenrijkse effecten te verzilveren. In elk geval had ze op enig moment geld voorhanden.

Dat bleek toen ze in december 1886 acht dagen lang logeerde in Keulen in het hotel “Du Nord”. In Keulen had ze bij de firma Baum voor 800 mark aan goederen gekocht. Die goederen waren keurig betaald. De portier van het hotel verklaarde voor de rechtbank in Heerenveen dat Trijntje toen per dag ongeveer voor 20 mark verteerde. Ze was niet vies van een “slokje”. Ze had bij haar vertrek wel alles betaald.

Een Duits kamermeisje kwam voor het gerecht in Heerenveen ook een verklaring afleggen. Ze had in het hotel koffers gezien waarop stond geschreven “barones De Jong, Innsbruck, Tyrol”. Gekochte goederen werden in het hotel afgeleverd, geadresseerd aan “de Baronesse”. Trijntje zou zich door het personeel van het hotel ook met Baronesse hebben laten aanspreken, maar ze ontkende dat. Dit kamermeisje vertrouwde Trijntje echter niet, het gedrag van deze “baronesse” was niet zoals het een barones betaamt. Ze verklaarde dat Trijntje had gezegd familie te zijn van het Keizerlijk Huis in Oostenrijk en bevriend te zijn met baron Kippenbourg of Kettenburg in Bonn (verschillende kranten noemen een andere naam). Een ober van het hotel deed er een schepje bovenop en verklaarde dat Trijntje had gezegd familie van de Koning van Holland te zijn.

In juli 1887 kwam Trijntje terug naar hotel “Du Nord” in Keulen. Naar haar zeggen kwam ze toen uit Rome waar ze had vertoefd in het huis van “den Heiligen Vader Paus”. Ze deed in Keulen opnieuw inkopen bij de firma Joseph Baum, deze keer voor 7000 mark, andere kranten noemen het bedrag van 7800 mark. Ze betaalde echter niet direct maar kreeg het vertrouwen van de winkelfirma omdat ze een half jaar eerder alles had betaald. Maar deze keer bleef de rekening open staan. Op enig moment werd het de eigenaars van de winkel te gortig en ze gingen naar Trijntje in het hotel om alsnog betaling te verzoeken. Trijntje zei toe de volgende dag te zullen betalen, maar toen de winkeldelegatie de volgende dag terug kwam was Trijntje met de noorderzon vertrokken, ze was zogenaamd naar de kerk gegaan. Een deel van de gekochte goederen had ze meegenomen, ongeveer met een waarde van 2000 mark.

Trijntje moet daarna vanuit Keulen naar Den Haag zijn vertrokken en daarop naar Amsterdam. Ze was zogezegd wat verlegen met de goederen die ze zonder te betalen had meegenomen en raadpleegde twee advocaten. Die zeiden dat ze de goederen terug moest sturen. Volgens haar latere advocaat had ze dat met een deel van de goederen gedaan. In Amsterdam zou ze in het Amstelhotel hebben gelogeerd en toen hetzelfde trucje als in Keulen hebben uitgehaald. Ze vertelde afkomstig te zijn uit Dokkum en ze had nogal wat manufacturen ingeslagen zonder te betalen. Toen de verkopers hun geld kwamen halen was Trijntje opnieuw verdwenen. Wel met achterlating van diverse koffers. Daarin vonden de verbouwereerde verkopers niet hun onbetaalde spullen terug, maar slechts graszoden.

Trijntje was intussen naar Kampen doorgereisd. Daar had men volgens Trijntje haar koffers in beslag genomen. Een krant schreef echter dat er manufacturen bij Trijntje’s vader in Drachten in beslag waren genomen. Een andere krant schreef dat Trijntje’s broer Fokke, een dagloner, niet genegen was zijn “rijke” zuster in zijn “nederige woning” op te nemen. Daarop overnachtte zij bij diens buurman, die tolgaarder en tevens onbezoldigd rijksveldwachter was. Deze buurman had plannen met Trijntje want al gauw kreeg ze gezelschap van twee veldwachters, die haar de volgende ochtend, ergens in augustus 1887, naar Heerenveen, naar het gerechtsgebouw, brachten. Maar, tot verbazing van velen, werd ze al gauw, op 19 september weer vrijgelaten en ze keerde per tram in de eerste klas terug naar Drachten.

Kort daarop moet ze, begin oktober, opnieuw naar Kampen zijn gereisd, misschien om nog iets van haar koffers te achterhalen. Volgens de dorpsroddels echter had ze zich daar geëngageerd (verloofd) aan een keurig meneertje, die haar zelfs met de tram naar huis had gebracht. Dat meneertje bleek echter bij nader inzien een inspecteur van politie uit Kampen te zijn. Men kende Trijntje daar nog en wilde haar denkelijk weer zo snel mogelijk kwijt.

De Duitse justitie zat intussen ook niet stil en men traceerde, samen met de Nederlanders, de freule alias baronesse ofwel Trijntje de Jong in Drachten. Daarop werd Trijntje opnieuw in hechtenis genomen en deze keer kwam ze niet vrij. Er volgde een rechtszaak wegens oplichting. Trijntje kon niet worden uitgeleverd aan Duitsland, daarom vond het proces plaats in Heerenveen. Voordat het proces startte kwam Trijntje nog een keer, op 5 december 1887, onder begeleiding, dat wel, terug in Drachten. Ze zou de plek aanwijzen waar ze 2000 mark in de grond had verstopt. Er werd echter niets gevonden. Dus volgde onverrichter zake de terugreis per tram naar Heerenveen.

In februari / maart van het jaar 1888 volgde het stafproces. Trijntje hoorde de beschuldiging en de verklaringen rustig aan, ze was deftig gekleed met handschoenen aan en ze droeg een zwart kostuum. In de terechtzitting kwam veel van wat hier boven staat, in elk geval de oplichting in Keulen, aan de orde. De vroegere diefstal in Marum en de acties in Amsterdam werden ook gememoreerd. De Officier van justitie eiste wegens oplichting een gevangenisstraf van 3 jaar gevangenis

De advocaat van Trijntje was van mening dat van oplichting geen sprake was. Een echte oplichtster zou zich niet zo bedrinken als Trijntje deed. Toen ze ’s morgens aankwam bij hotel “du Nord” bestelde ze direct vier bittertjes en in de loop van die dag nog eens drie-en-een-halve fles wijn. De tweede dag bestelde ze eerst tien bittertjes, daarna nog zes bittertjes, vier cognacjes en drie flessen wijn. Zo bleef dat dagenlang doorgaan. Een oplichtster zou wel slimmer zijn geweest en goederen direct hebben doorverkocht. Eigenlijk zette de advocaat zijn cliënte neer als zatlap en hij vroeg vrijspraak. De rechter veroordeelde Trijntje echter tot een jaar gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest. Die straf moest ze uitzitten in Appingedam. Na enige tijd werd Trijntje echter overgebracht naar het krankzinnigeninstituut in Medemblik. Daar bleef ze niet lang, al gauw ging ze terug naar Appingedam.

Op 21 oktober 1888 werd ze opnieuw “ambtshalve” bijgeschreven op de gezinskaart van haar vader, die arbeider was in Zuiderdrachten. Haar moeder Maria was begin januari 1886 overleden. Dan denk je dat de miljoenen-juffrouw toch een “dubbeltje” is gebleven, zich verder rustig zal gaan houden en misschien als oudste dochter wel de huishouding van vader zal overnemen. Niet dus. Dit verhaal over Trijntje is nog niet klaar.

Daarover meer in een volgend blog, klik hier.

, , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.