Obbe Meints Visser en verder (2)

Dit is een vervolg op Obbe Meints Visser en verder (1), klik hier.

Obbe Meints Visser en Sophia Swerus kregen in totaal tien kinderen. Nadat ik in het vorige blad melding heb gemaakt van de oudste zoon Meint Obbes Visser nu bijzonderheden betreffende enkele van zijn andere kinderen.

____________

De tweede zoon Swerius (ook Zwerus) genaamd (1794-1860) trouwde twee keer. Hij werd scheepskapitein, net al z’n vader. In 1816 wordt hij vermeld als eigenaar van de tjalk Vrouwe Sophia. Dat schip was afkomstig van zijn vader die in 1814 nog als eigenaar wordt vermeld. Met dit schip bevoer Swerius de noordelijke Europese zeeën. Hij had zijn thuisbasis in Farmsum. Er zijn vermeldingen dat hij met dat schip in Hamburg, Harlingen, Amsterdam,  Antwerpen, Brielle, Lynn in Engeland, Dantzig en Noorwegen was. In 1827 raakte het schip lek, maar het kon worden gerepareerd. Ik moet zeggen, ze durfden wel om met zo’n kleine tjalk de Noordzee op te gaan. In 1828 werd Swerus schipper op het smakschip Anna Sophia. Alleen van zijn dochter Sophia Visser (1834-1905) is verder iets bekend. Ze trouwde met de schipper Harm Roelofs van Laarden (van Laten) en ze kregen acht kinderen. Harm van Laten was schipper op het kofschip Annechiena, welk schip echter in 1857 met een lading spoorijzer aan boord verongelukte tussen Boston, Lincolnshire, Engeland en Rotterdam op Haisborough Sand, dat is voor de oostkust van Engeland  [bron: marhisdata.nl]. Harm van Laarden (Laten) heeft de schipbreuk overleefd, hij overleed in 1904 in Foxhol. Een jaar later, in 1905, overleed zijn vrouw Sofia in Hoogezand.

_______________

De derde zoon Jan Obbes Visser werd ook schipper. Hij voer op het smakschip Henderika, dat in 1827 was gebouwd en ongetwijfeld naar zijn eerste vrouw Hendrikje Wold zal zijn genoemd.  Dit schip wordt vermeld in de havens van Terschelling, Texel, Amsterdam, Antwerpen,  Heiligenhafen, Koningsbergen, Bordeaux, Cardiff en Sunderland [bron: marhisdata.nl].  In begin september 1833 was Jan met zijn schip onderweg van Sunderland naar Amsterdam. Dan volgt een vermelding dat het schip bij North Somercotes is gestrand.

Aan boord was ook echtgenote Hendrikje Wold. Zij verdronk bij deze scheepsramp en werd op 3 september 1833 begraven op het kerkhof van St. Clemens, Saltfleetby in de county Lincoln, klik hier.

Dat bleek toen Jan Obbes Visser in 1836 in Delfzijl hertrouwde met Alida Meijer. In de huwelijksbijlagen is een verklaring uit het Engelse St. Clemens opgenomen waarin staat dat Henderika Geart Wolt Visser was “found drowned” en verder nog de aantekening “a dreadful gale 3 days”. Het schip Henderika was dus vergaan in een driedaagse zware storm. J.M. Phillips leidde de uitvaartdienst. De gegevens in de akte zijn dermate accuraat dat verwacht mag worden dat Jan Obbes Visser zelf ook bij de begrafenis aanwezig was.

begrafenis Hendrikje Wolt

begrafenis Hendrikje Wolt

Eind 1836 werd Jan Obbes Visser opnieuw in de kranten vermeld. Hij was verdronken in de Eems onder Borkum.

Jan Obbes Visser krantenartikel

Jan Obbes Visser krantenartikel Algemeen Handelsblad

Het artikel uit het Algemeen Handelsblad spreekt voor zich. De overlijdensakte van Jan geeft nog enkele aanvullingen: Jan is verdronken in de vischbalg onder het eiland Borcum beneden op de rivier de Eems. Verder staat in het krantenartikel dat Jan een hoogzwangere vrouw naliet. Op 25 februari 1837 beviel weduwe Alida Meijer van een doodgeboren zoon.

___________

Het vijfde kind van Obbe Meints Visser en Sophia Swerus was dochter Janna. Ze trouwde in 1823 in Veendam met Jan van Oost, die in 1802 in Oost-Indië was geboren en stelmaker in Veendam was. Dit lijkt niet bijzonder. Echter, Jan van Oost moest bij zijn huwelijk een geboortebewijs overleggen maar hij kon dat niet. Hij kende de namen van zijn ouders en grootouders niet. Koning Willem I kwam eraan te pas om een ontheffing te verlenen. Jan van Oost diende een verzoekschrift in om toch te mogen trouwen. Hij was geboren “onder de slaven en in zijne eerste kindschheid als slaaf uit zijn geboorteland weg gevoerd”.

slaaf Jan van Oost

slaaf Jan van Oost

In 1810 was Jan zeven jaar oud en toen herwaarts (naar Veendam) overgebracht. Willem I gaf toestemming voor het huwelijk. Wie precies Jan van Oost heeft meegenomen naar Veendam is niet duidelijk. Jan was maar een klein mannetje, hij werd diverse keren vrijgesteld van militaire dienst wegens “te klein”. Jan en Janna kregen acht kinderen. Opmerkelijk is dat hun oudste zoon, Pieters Jan van Oost, terugkeerde naar Oost-Indië waar hij in 1845 als militair in Buitenzorg overleed.

Jans dochter Sophia van Oost trouwde met Klaas Benus. Zij kregen maar liefst 15 kinderen. Op het eerste gezicht zou je het niet verwachten maar al deze Benus-kinderen in Nieuw Buinen en omgeving stammen af van de uit Oost-Indië afkomstige ex-slaaf Jan van Oost.

________

Van de overige kinderen van Obbe Meints Visser en Sophia Swerus werden alleen de dochters Jakobjen en Annegien volwassen. Jakobjen trouwde in 1825 in Amsterdam met de uit Veendam afkomstige schipper Jan Jans. Opvallend is dat in de overlijdensakte van Jakobjen in 1835 in Rotterdam haar moeder Sophia Swerus wordt vermeld met de achternaam Gramsberge. Dochter Annegien trouwde twee keer, in 1834 in Appingedam  met de timmerman Lodewijk Reeder en in 1858 met de gerechtsdienaar Gaike Jans van Polen.

, , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Obbe Meints Visser en verder (1)

Van sommige families kun je nauwelijks bijzonderheden in de archieven vinden, andere families lijken daarin te grossieren. Dat laatste lijkt het geval te zijn bij het nageslacht van Obbe Meints Visser (1761-1819) uit Veendam. Obbe trouwde daar in 1791 met zijn nicht Sophia Swerus (1771-1813). Sophia Swerus zou eigenlijk Sophia Assuerus moeten heten maar de Groningers korten alles zoveel mogelijk af, dus Assuerus werd Swerus. Obbe en Sophia kregen voor zover ik heb kunnen nagaan tien kinderen, allen geboren in Veendam tussen 1792 en 1813.

Obbe Meints Visser was scheepskapitein. Zijn vrouw staat echter als “landbouwersche” te boek en in 1805 werd er door het gerecht van het Oldambt onderzoek gedaan betreffende diefstal van turf uit het veen van Obbe in Veendam. Men was dus op meerdere fronten actief. In februari 1796 stond Obbe als vervanger op de lijst van kiezers die een representant voor de nationale conventie van de Bataafse republiek mochten kiezen voor de Veenkoloniën, afdeling Veendam.

Nadat Obbe in 1813 nog de geboorte van zijn zoon Jacob had aangegeven en nadat zijn vrouw vijf maanden later was overleden verdween hij van de radar. Dat blijkt uit gegevens in de trouwakte van zoon Meint in 1819. Daarin staat vermeld dat Obbe (in 1819) al zes jaar absent was. Obbe kon dus ook geen toestemming geven voor het huwelijk.  In juli 1814 werd Obbe nog vermeld als eigenaar van het schip “Vrouw Sophia” in Veendam. Dat was zo ongeveer het laatste wat van Obbe in de Nederlandse archieven te vinden is.

Obbe Meints Visser 6 jaar absent

Obbe Meints Visser 6 jaar absent

Later kwam er toch bericht over zijn verblijfplaats. In 1823 trouwden zoon Swerus en dochter Janna. Uit aktes opgemaakt rondom die beide huwelijken blijkt dat Obbe Meints Visser op 11 februari 1819 in het Oost-Pruisische Memel was overleden en daar op 14 februari op het “Reformierte Kirchhof” werd begraven. Klik hier voor meer informatie over deze kerk.

Obbe Meints Visser overleden Memel

Obbe Meints Visser overleden Memel

Memel heet nu Klaipéda en ligt door geschuif met grenzen in, tussen en na WOI & II nu in Litouwen. Uit (toen nog) Duitsland kwam zijn overlijdensbericht en er stond tevens in aangegeven dat Obbe zes kinderen naliet. Hoe men dat in Memel wist is niet duidelijk, Obbe heeft daar waarschijnlijk wel iets over losgelaten. Het is echter ook niet zeker dat hij in Memel woonde, als scheepskapitein kon hij zonder vaste woon- of verblijfplaats zijn. Obbe was overleden aan “narvenfieber”, zenuwkoorts (typhus of dysenterie). Omdat Sophia al in 1813 overleed en Obbe vanaf datzelfde jaar absent was bleven de kinderen in 1813 alleen achter.

De oudste zoon Meint Obbes Visser (1792-1829) vertrok naar Amsterdam waar hij in 1819 trouwde met Willempje Musegaars. Meint was volgens de trouwakte zeeman. Hij sneuvelde op 20 maart 1829 op het eiland Banka (Bangka) in Oost-Indië en was op dat moment tweede stuurman bij de koloniale marine.

overlijden Mein Obbes Visser

overlijden Mein Obbes Visser

Volgens een memorie van successie in Groningen was Meint overleden op 7 maart 1829. Zijn erfgenamen waren in gebreke gebleven opgave van de nalatenschap te doen. In de ambtshalve opgemaakte memorie werd alleen een zuster, de vrouw van Jan van Oost, als één van de erfgenamen genoemd. Het was de belastingheren in Groningen kennelijk ontgaan dat Meint was getrouwd en ook nog een zoon had. Deze zoon met de voor noordelingen wat vreemd klinkende naam Obbes Meint Visser was in 1821 in Amsterdam geboren. Een teken dat men in Amsterdam niet erg goed raad wist met patroniemen. Zijn leven lang werd hij steeds vermeld als Obbes Meint Visser en hij had zelf ook een zoon met de voornamen Obbes Meint (geb. 1859). Weduwe Willempje Musegaars hertrouwde in 1835 in Amsterdam met de kaarsenmaker Rikent Vedder.

overlijden Willempje Musegaars

overlijden Willempje Musegaars

Obbes Meint Visser (geb. 1821), zoon van Meint en Willempje, was ook kaarsenmaker en later winkelier en trouwde twee keer in Amsterdam. Uit zijn eerste huwelijk met Anna Catharina Groenewoudt werd onder anderen in 1855 in Amsterdam een zoon Rikent Willem Visser geboren. Rikent Willem was vernoemd naar zijn stiefopa Rikent Vedder en zijn oma Willempje Musegaars. Rikent Willem nam in 1883 de zuivelhandel van zijn vader over.

overdracht firma O.M. Visser en zoon

overdracht firma O.M. Visser en zoon

Rikent Willem Visser trouwde twee keer. Zijn tweede vrouw was Eilke Venema (1864-1944) met wie hij in 1908 in Amsterdam trouwde. Eilke was een dochter van de schoolmeester van Enumatil Jan Venema en diens echtgenote Doortje Kooij. Eilke had al het een en ander meegemaakt in haar leven. Ze was eerder getrouwd (in 1885 in Leek) met dominee Johan Barger (1853-1909). Deze dominee was geboren in Amsterdam en had gestudeerd in Utrecht. In 1880 werd hij Hervormd predikant in Goudswaard. Door omstandigheden legde hij zijn bediening in 1882 neer, maar in 1883 stond hij weer op de kansel in Lettelbert / Enumatil als hulpprediker en een poos later als predikant. In 1885 vertrok hij naar Garnwerd en vandaar in 1888 naar Harlingen.

In 1894 vermoorde dominee Johan Barger in Harlingen een jonge naaister die zijn vrouw Eilke Venema hielp. Johan Barger werd daarvoor tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld en hij overleed in 1909 in de Leeuwarder strafgevangenis. Johan Barger werd bekend als “de blikken dominee” en aan hem hebben we het “Tarara boemdiee, de blikken dominee” etc. te “danken”.

Maar ook over sommige van de andere kinderen van Obbe Meints Visser en Sophia Swerus zijn nog genoeg bijzonderheden te vertellen. Daarover meer in een volgend blog, klik hier.

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Tweede miljoenen-juffrouw (3)

Dit is een vervolg op miljoenen-juffrouw (1) klik hier en miljoenen-juffrouw (2) klik hier.

Nadat Trijntje de Jong, de tweede miljoenen-juffrouw, voor de tweede keer een jaar in de gevangenis had doorgebracht bleef het niet rustig rondom haar. Ze werd diverse keren vermeld in de kranten. Nog in 1888 werd ze al weer in Groningen gesignaleerd, waar ze bij de heer B. verschillende goederen op de pof kocht, die ze bij de trein afgeleverd wilde zien. Meneer B. schakelde echter de politie in en daarna had Trijntje alsnog vlot betaald. In april 1889 werd Trijntje opnieuw gearresteerd in Groningen wegens overtreding van de “vergunning”. Er werd een halfvolle fles wijn bij haar in beslag genomen. Trijntje logeerde toen in de stad in hotel Friesland en was aangereisd vanuit Harlingen, waar ze naar verluid een mooie hoed zou hebben gestolen. Ze werd echter al gauw weer vrijgelaten. Ze keerde wel steeds terug naar Drachten.

In juni 1890 nam de Christelijke Gereformeerde predikant Douma van Drachten afscheid wegens vertrek naar Rotterdam. Trijntje zou een trouwe kerkganger zijn geweest bij deze dominee. Hoe dat valt te rijmen met haar overgang naar de Rooms Katholiek kerk, zoals eerder werd vermeld, is niet helemaal duidelijk. Trijntje had ’s morgens wat sterk van de “Schiedammer” gebitterd. Ze liep daarna niet helemaal in rechte lijn naar het kerkgebouw. Eenmaal in de kerk wilde ze een lied zingen. Niet het juiste lied waarschijnlijk en denkelijk niet met gepaste eerbied, want de politie kwam eraan te pas om haar te verwijderen, waarna Trijntje in verzekerde bewaring werd gesteld.

Dat is het begin van een aantal krantenartikelen waarin Trijntje vooral in combinatie met “Schiedammer” en “de vergunning” wordt vermeld. Zo had ze op haar verjaardag een aantal Duitse muzikanten over de vloer. Trijntje danste op de muziek in het wit gekleed en met een roosje op de borst. Hoe later het werd, hoe minder de Duitse muzikanten in staat bleken nog een toon uit hun muziekinstrumenten te persen. De dorpsgenoten begonnen zich aan het rumoer rondom Trijntje te ergeren. Trijntje begon uitstapjes met de tram te maken. Haar lievelingskleding was een zwarte jurk met witte sluier en witte klompen. Jawel , een “barones” op witte klompen. In Gorredijk viel ze tijdens één van die uitstapjes op, ze waggelde door de straten, gevolgd door een joelende menigte. Ze werd door twee mannen afgezet bij het tramstation en vertrok daarmee weer richting Drachten. Trijntje verbraste op die manier al het geld dat ze nog had.

Trijntje leek echter tot inkeer te komen, ze liet in 1890 een advertentie in de krant plaatsen waarin ze een ieder die sterke drank verkocht vroeg om dat niet meer aan haar te leveren. In 1891 verschenen alweer artikelen over een vrolijke Trijntje die een “snapsje” had gebruikt en een feestje organiseerde. Er waren muzikanten uitgenodigd. Maar plotseling was Trijntje verschenen met een roestige sabel en had de muzikanten van haar erf verjaagd en daarna het toegestroomde publiek met de sabel bedreigd. De toeschouwers hadden echter zand en troep naar haar gegooid, waarna ze de sabel in het publiek had gesmeten. De muzikanten konden ook naar hun gage fluiten. Trijntje werd zo vaak opgepakt wegens drankmisbruik dat de auteurs van krantenartikelen vermoedden dat ze binnenkort wel naar Veenhuizen zou worden opgebracht.

In 1892 beklaagde Trijntje zich bij de marechaussee in Olterterp dat er bij haar was ingebroken en dat al haar geld was gestolen. Ook in 1892 stond er in de krant dat Trijntje van plan was lezingen te gaan houden en daarin van haar avontuurlijke leven verslag te doen. Dit om haar berooide kas te “stijven”. Het liep allemaal weer uit de hand toen ze op 5 maart 1892 voor eigen rechter ging spelen en een 11-jarig meisje haar huis in sleurde en opsloot in de kelder. De buren hadden het kind bevrijd. Een andere krant schreef dat het meisje “gratis” voor haar werkte. Trijntje werd gearresteerd en ging opnieuw met de tram richting Heerenveen. De Officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 45 dagen. Op 28 april 1892 volgde het vonnis: één maand gevangenisstraf. Die had ze waarschijnlijk al in voorarrest uitgezeten.

In oktober 1892 verliet Trijntje haar woonplaats Zuiderdrachten en vertrok naar Amsterdam. In de mensenmassa zal ze daar minder zijn opgevallen. Begin 1893 werd ze echter al weer vermeld als zijnde zonder beroep en zonder vaste woonplaats. In december 1892 logeerde ze in “Het witte paard” in de Tweede Lombardstraat in Rotterdam. Daar logeerde ook ene C. Radder, een “arme, oude stakker”, die wat geld verdiende met het breien van eiernetjes. Trijntje had een paar van die netjes gestolen. Weer stond ze voor de rechter en haar doopceel werd nog eens uitvoerig gelicht. De eis was acht maanden gevangenisstraf. De advocaat van Trijntje vond dat zijn cliënte “te donker werd gekleurd” en dat Trijntje zo slecht nog niet was. Haar straf werd vijf maanden gevangenisstraf. Ergens half 1893 moet ze weer vrijgekomen zijn.

Nog eenmaal staan er in diverse kranten in maart 1895 vermeldingen. “Naar men met zekerheid verneemt is de beruchte Trijntje de Jong –genaamd de miljoenenjuffrouw – in de strafgevangenis te Rotterdam overleden”. Uit de overlijdensakte blijkt echter dat ze op 24 februari 1895 is overleden in Rotterdam in een huis aan de Raampoortlaan. Aangifte werd gedaan door een loopknecht en een lijkbezorger.

Daarmee blijkt ook direct het probleem met de vermeldingen van Trijntje in de kranten. Duidelijk is dat ze in 1877 is veroordeeld wegens kerkdiefstal, in 1888 wegens oplichting, in 1892 wegens mishandeling en in 1893 wegens diefstal. In totaal zat ze daarvoor twee en een half jaar in de gevangenis of in voorarrest, inbegrepen een korte onderbreking in een psychiatrische inrichting in Medemblik. Onduidelijk is echter in hoeverre er bij al de krantenartikelen van een soort van mythevorming rondom Trijntje sprake is. Ze was, doordat ze zichzelf had uitgeroepen tot freule en baronesse, een bekende Nederlander geworden. Alle “nieuwtjes” rondom haar persoon werden dan ook met alle graagte vermeld. Of dat altijd de waarheid is geweest valt te bezien. Een beetje mistig is het hier en daar zeker, de verhalen en tijdstippen in de verschillende kranten zijn niet altijd eenduidig.

De enige manier om haar beeld helemaal scherp te krijgen is het nog eens uitpluizen van de rechtbankstukken die bewaard zijn gebleven. Dat hoop ik ooit nog te kunnen doen. Wie weet, misschien kan ik dan een definitief eind breien aan de levensbeschrijving deze Trijntje de Jong, geboren in 1851 in Ureterp als “dubbeltje”, wonend in Ureterp en Zuiderdrachten maar zeer bereisd in Europa, overleden in 1895 in Rotterdam zonder cent, maar vooral omringd met een aureool van miljoenen.

Een paar kranten vermeldden als epiloog: “Sic transit gloria mundi” ofwel “Zo vergaat de wereldse grootsheid; zo vergaat ’s werelds roem”

, , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.