Anne Tetmans, paardenman

Anne Tetmans woonde in het jaar 1630 in Beetsterzwaag en hij was op dat moment getrouwd met Aukje Fokkes. Anne was een paardenman, je vindt hem in de archieven van Opsterland een aantal keren in zaken betreffende paarden. Zo was Gooitsen Jacobs in Oudega (S) in 1636 tien daalders schuldig aan Anne wegens geaccordeerde afsteigering van paarden.  Daaruit blijkt dat Anne ook hengstenhouder was. In 1638 was Anne 20 gulden schuldig aan Jetske Claeses de weduwe van Abe Freerks wegens de koop van een “swart blest moerpeer”, een zwarte merrie met een bles.

In mei 1639 verscheen Anne opnieuw voor het gerecht van Opsterland, deze keer om te verklaren dat hij 19 daalders en 11 stuivers schuldig was aan Jan Berends, die ook in Beetsterzwaag woonde. Dit wegens de koop van een “grau peert”, een grijs paard. Anne was van plan dit paard mee te nemen naar het leger. Anne kon dat paard niet direct betalen, maar hij beloofde het bedrag te overhandigen zodra hij zijn soldij had ontvangen. Er kwam schijnbaar een kink in de kabel want de acte werd doorgekrast. Opvallend is dat naast het bedrag van 19 daalders en 11 stuivers in de kantlijn 30-9 werd geschreven, een normale geldnotatie in guldens en stuivers in die tijd, maar die aantekening is in dit verband niet helemaal duidelijk.

Enige tijd hoor je dan niets van de plannen van Anne Tetmans. Wel werd hem begin 1640 de huur van zijn kamer opgezegd door Aaltje Wisses voor haarzelf en als medeerfgenaam van Wisse Aises.

In april 1641 komt de 30-9 aan geld weer bovendrijven. Want dan laat Anne weer een acte registreren waarin hij opnieuw verklaart schuld te hebben bij Jan Berends en deze keer 30 daalders en 9 stuivers wegens de aankoop van een grijs paard, misschien hetzelfde als in het jaar 1639. Bovendien was hij ook nog eens 40 daalders en 9 stuivers schuldig aan Gosse Jans, ook uit Beetsterzwaag, wegens de koop van een “bruin cold peert”. Beide paarden waren op het moment van de registratie al door Anne “te dancke ontfangen”.

Met die beide paarden wilde Anne in militaire dienst gaan bij de Edele Mogende Heeren der Stad Groningen ende Ommelanden in het “aenstaende” veldleger. Anne beloofde aan Jan Berends en Gosse Jans de aankoopbedragen “vromelijck” te betalen uit de eerste penningen van het traktement en de verdiensten die aan hem zouden worden uitgekeerd. Hij zou zelf eerst niets van zijn ontvangsten mogen houden, alles ging naar Jan Berends en Gosse Jans, net zolang tot de paarden waren betaald. In het geval “des Godt Almachtich verhoede” dat Anne echter zijn paarden zou verliezen of dat hij door “onverwachte ongeluck” geen penningen zou gaan verdienen zou Anne de paarden toch betalen zodra het leger uit het veld vertrok en in garnizoen kwam te liggen. Voor de zekerheid van de verkopers stelde Anne de paarden tot onderpand en voorts al zijn huisraad, roerende en onroerende goederen.

Maar of het ooit zover is gekomen dat Anne met zijn paarden ten strijde is getrokken, dat staat te betwijfelen. In september 1641 blijkt Anne dat een behoorlijke schuld heeft bij Freerk Regneris wegens gehaalde waren. Dit zal Freerk Regnerus Hachtingh, burger en zijdekramer in Leeuwarden, zijn geweest. In december 1641 was Anne Tetmans al weer actief in de paardenhandel, hij kocht toen een paard van Jan Harmens in Appelscha voor 23 daalders. De betaling daarvan bleef echter uit en Jan Harmens daagde Anne vervolgens voor het gerecht. De beide paarden waarmee Anne in het Groningse veldleger dienst wilde nemen bleven ook onbetaald want op 17 februari 1642 is er sprake van executiekosten van het gerecht en op 30 mei 1642 werd de acte in het hypotheekboek van Opsterland geregistreerd, een teken dat er iets met de betaling niet in orde was. Of “aenstaende” Groningse veldleger waarin Anne dienst wilde nemen ooit is opgericht is niet duidelijk. Als hij wel als militair heeft gediend dan was dat in elk geval van zeer korte duur. Ergens in mijn achterhoofd leeft een beetje het idee dat de paardenman Anne Tetmans mogelijk manieren zocht om paarden te kunnen aanschaffen en daarvoor het Groningse veldleger als alibi gebruikte. Maar wie ben ik om aan de militaire carrière van Anne te twijfelen.

Wat me opviel bij de aankoop van de beide paarden is dat men kennelijk vroeger zijn eigen “materieel” moest meenemen in het leger.  Het is in deze beide aktes niet duidelijk of Anne Tetmans als ruiter in dienst zou gaan of als soldaat in de aan- en afvoertroepen, waarschijnlijk het laatste, want als huzaar had hij maar één paard nodig. Het risico dat een militair in die tijd liep met zijn “materieel” was kennelijk ook voor eigen rekening.

Na Roelof Jochums (klik hier) die in dienst van de VOC of Westindische Compagnie trad en Jacob Jans smit (klik hier) die soldaat werd is Anne Tetmans mogelijk de derde “gewone” Opsterlander die in de recesboeken van deze Grietenij betreffende de tachtigjarige oorlog wordt vermeld. Voor zover mij bekend was hij tevens de laatste. Roelof Jochums en Jacob Jans verbonden beiden een soort van weddenschap aan het volbrengen van hun militaire diensttijd. Anne Tetmans kwam niet tot het laten opstellen van dergelijke merkwaardige aktes, hij ging ervan uit dat zijn soldij voldoende was om zijn schulden af te betalen. Of was de hoop bij hem de vader van de gedachte?

, , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Een gokje op het leven (2)

Jacob Jans was in het eerste derde deel van de 17e eeuw smid in Beetsterzwaag. In de nedergerechtarchieven van de grietenij Opsterland wordt hij regelmatig, beter gezegd zeer vaak, vermeld. Samen met zijn echtgenote Foekje Boeles lijkt hij met iedereen, ook met zijn eigen familie en die van zijn echtgenote, overhoop te liggen. Heel vaak laat hij schuldbekentenissen van of aan hem en zijn echtgenote registreren. Ook wordt het echtpaar vermeld bij aan- en verkopen. Bijna altijd wordt hij in die aktes aangeduid als Jacob Jans Smitt, maar hij tekent nooit met een achternaam. In de achtergrond speelt echter de achternaam Nidinga mee. Zijn broer Pieter Jans noemde zich zo en zijn eigen zoon Jan Jacobs gebruikte ook die achternaam. Deze zoon was ook smid en woonde later in Tolbert.

Jacob Jans smitt doet vanaf 1608 zelfstandig zaken samen met echtgenote Foekje Boeles. Hij was toen dus minstens 25 jaar oud en daarom geboren voor het jaar 1583. Het navolgende speelt in het jaar 1625, dus was Jacob in dat jaar minstens 42 jaar oud. Zoals geschreven had hij toen al een druk zakelijk leven achter zich. Tussen mei 1625 en eind 1627 wordt hij niet meer vermeld in de nedergerechtsarchieven van Opsterland in zaken van aan- en verkoop en schuldbekentenissen en dergelijke. Na eind 1627 wordt hij weer als smid in Beetsterzwaag vermeld en doet zaken als vanouds. In 1627 is Jacob Jans ineens soldaat onder hopman Jacques van Oenema. Hij heeft dus het smidsbestaan, naar later blijkt tijdelijk, vaarwel gezegd.

Op 25 mei 1625 liet Jacob een contract registreren dat hij met Alle Metses uit Ureterp had gemaakt. Jacob verkocht daarbij een blauwbonte koe aan Alle voor 25 goudguldens. Alle zou deze koe echter pas moeten betalen als Jacob “een jaer en dach de Heeren Staeten te peerde ofte voett heeft gedient”. Als Jacob binnen dat jaar zou overlijden kreeg Alle Metses de koe gratis. Maar als Jacob dat jaar militaire dienst zou overleven dan moest Alle alsnog de koe betalen. Alle Metses stelde hiervoor al zijn goederen tot onderpand.

ondertekening acte

ondertekening acte

Jacob was er kennelijk van overtuigd dat hij het soldatenleven zou overleven want op 28 augustus 1625 maakte hij nog een dergelijk contract, nu met Lambert Lamberts, brouwer in Beetsterzwaag. Daarin legden ze vast dat Jacob “hem sall begeven in dienst van de Staten Generaal ofte den Prinsse van Oranijen en in den selven dienst continueren totdat jaer en dach verstrecken sijn”. Lambert kocht volgens het contract een rootblaerde (roodbonte) koe en een “neue grepe” (nieuwe schop) samen voor het bedrag van 39 philipsguldens minus een oortje (waard een kwart stuiver). Mocht Jacob dat jaar in militaire dienst niet volhouden of binnen dat jaar komen te overlijden dan was de koe gratis. De greep wordt niet meer genoemd, maar zal inbegrepen zijn. Kon Jacob echter na dat jaar een behoorlijk paspoort of pascedulle van zijn kapitein overleggen, waaruit bleek dat hij zijn dienst had volbracht, dan moest Lambert Lamberts de 39 gulden min een oortje alsnog betalen. Sijbe Jans ondertekende samen met Jacob en Lambert de betreffende akte.

Jacob Jans ging dus in militaire dienst en kwam levend terug, met paspoort. Dat blijkt als hij op 9 november 1627 het contract met Lambert Lamberts laat registreren. Lambert kon het overeengekomen bedrag nog niet betalen en de contractanten spraken af dat de schuld nog bleef staan van 9 november 1627 tot Allerheiligen 1628 en dat Lambert voor dat jaar extra twee philipsguldens rente zou betalen. Van Alle Metses heb ik niet een dergelijke akte gevonden, maar ook hij zal zijn blauwbonte koe hebben moeten betalen.

Opnieuw vraag ik (red.) me af wat iemand, in dit geval Jacob Jans, heeft bezield om midden in de tachtigjarige oorlog op oudere leeftijd zijn bedrijf, vrouw en kind te verlaten en de hort op te gaan. Misschien heeft hij het van Roelof Jochums (klik hier) afgekeken, maar ook hij nam daarmee een gokje op zijn leven. Iedereen kan er natuurlijk voor kiezen om militair te worden, maar om daar nu twee achteraf goed betaalde koeien tegenover te stellen?

, , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Een gokje op het leven (1)

De onderstaande uitgewerkte akte moet wat mij (red.) betreft zeker in de categorie “merkwaardige aktes” worden geplaatst. Het onderstaande gebeurde meer dan 400 jaar geleden en het lijkt alsof Roelof Jochums een gokje op zijn leven nam.

Roelof liet samen met meester Pieter Hendriks uit Beetsterzwaag in het jaar 1608 een akkoord registreren door secretaris Teije Sakes van Opsterland. De inhoud hiervan was dat meester Pieter een aantal zaken kocht van Roelof Jochums. Het betrof een broek, een pak kleren, 24 stuivers een rosenobel. Dit laatste is een geldstuk. De betaling van de goederen werd echter uitgesteld. Eerst zou Roelof Jochums een reis maken naar West- of Oostindië. Pas als Roelof hiervan “levendich” terugkeerde zou meester Pieter de goederen betalen. Voor de broek zou hij dan 14 caroliguldens betalen en voor het pak kleren 35 caroliguldens.

rosenobel

rosenobel

De geldwaarde van een Rosenobel was in die tijd 8 caroliguldens en 8 stuivers. Maar als Roelof levend terugkwam van zijn reis zou meester Pieter het dubbele van dat bedrag betalen, namelijk 16 caroliguldens en 16 stuiver. Hetzelfde zou gedaan worden met de 24 stuivers, Roelof kreeg daarvoor bij terugkomst 48 stuivers terug.

Bij dat alles was de bepalende voorwaarde dat Roelof die verre reis moest overleven. Dat was in die tijd een grote onzekerheid. Van de mensen die op reis gingen met de VOC kwam soms slechts de helft terug. De andere helft overleed onderweg op zee of in de verre oorden.

In het contract werd ook bepaald dat indien Roelof niet levend terug zou keren van zijn reis meester Pieter Hendriks alle geld en goederen “om niet” kreeg, dus er niet voor hoefde te betalen.

Je vraagt je af wat die mensen bezielde, het lijkt een soort van fatalisme. Als het niet goed gaat heb je er toch niets aan en als het wel goed gaat dan levert het in elk geval nog iets op. Meester Pieter Hendriks was overigens niet de eerste de beste, hij was procureur-postulant bij het Nedergerecht van Opsterland. Niet iemand dus van wie je onbezonnen daden verwacht.

Het bovenstaande was overigens niet het enige gokje dat Roelof Jochums nam. Op dezelfde dag als hij het merkwaardige koopcontract met meester Pieter sloot deed hij dat nog een keer. Nu met Sijmon Wijbrans. Deze kocht twee korven bijen en moest daarvoor, als Roelof levend terugkwam, elf caroliguldens betalen. Kwam Roelof niet levend terug dan waren de bijen met korven gratis.

Hoe het is afgelopen?

Onder de akte gemaakt door meester Pieter en Roelof is later genoteerd: “Deze acte is bij consent van de comparanten gecasseerd op 18 april anno 1617”. Roelof is dus levend terug gekomen en Pieter heeft daarna de goederen betaald, pas in het jaar 1617. Het pak kleren zal intussen, na acht en een half jaar, wel een beetje zijn uitgelopen. De overeenkomst met Simon Wiebrands is niet voorzien van een dergelijke aantekening, maar deze zal de beurs ook moeten hebben trekken. Als hij nog leefde natuurlijk. Want je kunt wel een gokje op iemands leven wagen, maar zelf kan je ook iets gebeuren, ook al trek je niet de wijde wereld in en blijf je in je eigen dorp.

Er was nog een tweede inwoner in Opsterland die dergelijke merkwaardige aktes liet registreren, daar kom ik nog op terug.

, , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Eebele Alles en zijn echtgenotes

Eind 16e, begin 17e eeuw woonde Eebele Alles in Lippenhuizen, waar hij voor mei 1619 overleed. Van hem stamt een groot nageslacht af. Het bleek echter moeilijk een moeder van zijn kinderen aan te wijzen. Daarbij helpen de Opsterlandse secretarissen ook niet, aangezien ze in die tijd in staat zijn zodanig beroerd te schrijven dat je de neiging krijgt tijdens het doorlezen van aktes maar gauw wat anders te gaan doen. Diverse serieuze onderzoekers hebben zich al met de echtgenotes van Eebele Alles bezig gehouden, Jonkman, Van der Sluis, Bekkema, Post, Van Heijningen, Coehoorn. Er worden namen genoemd van de echtgenotes maar ook worden bijna evenzoveel vraagtekens geplaatst. Op internet blijkt dat sommigen de naam / namen (vaak zonder bronvermelding) hebben overgenomen en onterecht de twijfels hebben uitgegumd.

Nou vooruit, laat ik (red.) dan ook nog maar een duit in het zakje doen, die mogelijk wat meer licht doet schijnen op de namen van de echtgenotes van Eebele Alles. In een recesboek van Opsterland staan namelijk twee achtereenvolgende aktes op 30 april 1619 die meer duidelijkheid geven.

In de eerste akte worden de erfgenamen van Eeble Alles [geen namen genoemd] opgevoerd als requiranten (= verzoekers)  en Sijtse Haies, Haije (Hartmans), Fedde (Hartmans), Teije (Hartmans) en Sijbe Hartmans zonen en Mentie Cornelis als gerequireerden. De requiranten vragen aan het gerecht van Opsterland om uit de gerequireerden een “curateur” te benoemen over het weeskind van Eeble Alles echtelijk [getogen] bij Eets Hartmansdochter, het weeskind is genaamd Hartman Eebles. Fedde Hartmans, één van de gerequireerden, protesteert tegen een mogelijke benoeming omdat hij zich niet bekwaam acht, hij kan namelijk niet lezen en schrijven. Het gerecht van Opsterland besluit om Mintse Cornelis tot curator te benoemen over Hartman Eebles en ordineert Sijtse Haies om, als Mintse dat verzoekt, daarbij te assisteren.

In de tweede akte verschijnt Auck Foppedochter voor het gerecht van Opsterland en ze wordt daarbij geassisteerd door Sijbrand Sijbes. Auck Foppes is requirante en de gerequireerden zijn Wijtse Foppes, Eble Sijtses, Alle Aettes, Intie (Jelles) en Gele Jelles zonen, Walter Ubles en Alle Sjoerds. Auck Foppes verzoekt om uit de gerequireerden twee voormonden, hen die het gerecht het meest bekwaam acht, te benoemen over het jongste weeskind van de overleden Eeble Alles bij haar, Auck Foppes. Dat jongste weeskind is Otte Eebles. Het gerecht benoemt Alle Aettes en Intie Jelles tot voormonden over Otte en zij beloven bij handtastinge hun taak goed uit te voeren.

Eebele Alles echtgenotes

Eebele Alles echtgenotes

Is hiermee het complete raadsel van de echtgenotes van Eeble Alles opgelost? Volgens de hierboven genoemde onderzoekers zijn er nog meer kinderen. Die worden in deze beide autorisatieaktes niet vermeld, zijn dus al meerderjarig of getrouwd, dus wie hun moeder is wordt aan de hand van deze beide aktes niet duidelijk. Wel is nu duidelijk geworden dat Hartman (later Hedman) Eebles een zoon is van Eeble Alles en diens eerste vrouw Eets Hartmans. De zoon Otte Eebles is geboren uit het tweede huwelijk van Eeble Alles met Auck Foppes. Gelet op het beroerde schrift van secretaris Teije Sakes kun je haar naam ook nog lezen als Anck Foppes, maar in de andere akte met een andere schrijver wordt ze duidelijk Auck Foppes genoemd.

Omdat curatoren of voormonden bijna altijd werden benoemd uit familieleden kunnen bovendien de namen van de gerequireerden uit beide aktes helpen bij het zoeken naar voorgeslacht. Bijvoorbeeld Intie Jelles was getrouwd met Sijtske Foppes, wellicht een zuster van Auck Foppes. Intie Jelles overleed voor 6 maart 1621, hij liet 4 minderjarige kinderen na bij Sytske Foppes. Giel Jelles en Sjoerd Jelles werden tot voormonden benoemd over die kinderen.

Verder voerden “Geele en Intie Jelles sonen” beiden uit naam van hun echtgenote samen met Auck Otte weduwe in juni 1600 een proces tegen Foppe Feijtses. Een maand later kwam de uitspraak waarbij de echtgenotes van Geele en Intie ook aanwezig waren “in de questie die sij met Foppe Feytses, haren vader” hebben nopens de goederen van hun moeder. Er was een baar gemaakt en Geele en Intie beloofden die afspraak na te komen als Foppe dat ook zou doen. Deed Foppe dat niet dan waren ze vrij. Pas in januari 1601 kwam het tot een definitieve oplossing. Volgens Van Heijningen was Geele Jelles getrouwd met Ancke Foppes, twee broers getrouwd met twee zusters dus. Met Auck Otte weduwe zal misschien Auck Foppes zijn bedoeld die dan in 1600 weduwe van een zekere Otte was. Dan is zij misschien dezelfde Auck Foppes die was getrouwd met Eebele Alles, diens tweede vrouw. Hun zoon Otte Eebeles is dan mogelijk vernoemd naar de eerste man van Auck Foppes.

Tenslotte compareerden ook in juni 1600 voor het gerecht van Opsterland Fokke Jurjens ter ene en Sijtie Haijes en Eeble Feddes als voormonden over de weeskinderen van Hartman Haijes en Auck (misschien Feddes) ter anderen zijde inzake een schuld van 150 philipsguldens. Het eerste jaar was renteloos, maar verder zou de hoogte van de rente worden bepaald door Eeble Alles en Aette Feddes.

Zo zie je maar weer, alle beetjes kunnen helpen.

, , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Malum factum

Jan Taekes was timmerman in Beetsterzwaag zo rond 1730. Hij was getrouwd met Antje Ynses en niet met Antje Linses zoals in de index van Tresoar staat aangegeven. In de winter van het jaar 1736 was Jan op bezoek bij meester Zacharias Tjallings, chirurgijn, tevens barbier in Beetsterzwaag. Zacharias was maar wat armelijk. In 1744 werd vermeld hij als zijnde insolvent en in 1749 als zijnde arm. Beetsterzwaag was wel het dorp in Opsterland waar de “upper class“ van die grietenij woonde. Het was in het huis van Zacharias dat Jan Taekes de notaris Livius Sinnema, ook wonende in Beetsterzwaag,  op de korrel nam. Sinnema was vermoedelijk wat pokdalig of hij had last van huiduitslag. Jan Taekes vertelde bij die gelegenheid dat Sinnema eerst zou hebben aangegeven dat dit van de scheurbot kwam en later dat “rude” (Fries  voor schurft) daarvan de oorzaak was.

Pluim (1911) schreef in “Keur van Nederlandsche woordafleidingen” het volgende over scheurbuik, wat hetzelfde is als scheurbot: “Scheurbuik is een volksetymologie voor ’t Middel-Latijnse scorbutus ……., de ziekte heeft dus met scheuren of buik niets te maken: het is een ziekte in het bloed, die door talrijke bloeduitstortingen in verschillende organen gekenmerkt wordt: het tandvleesch zwelt op, de tanden raken los en op verschillende plaatsen van ’t lichaam ontstaan vlekken of bloedgezwellen ……”.

Bij schurft heb je onder anderen ook last van huiduitslag, een reden te meer om aan te nemen dat Sinnema er niet op z’n paasbest  uitzag. Jan Taekes geloofde dat van die scheurbot of de “rude” niet zo, hij meende een betere verklaring te hebben. Of hij sprak misschien na wat in dorpsroddels naar voren kwam. Volgens Jan was Sinnema, “die grote duivel”, aan de Spaanse pokken. Die uitspraak kwam Sinnema ter oren, misschien had hij het gehoord van Zacharias, misschien van anderen die in de scheerzaal hadden gewacht. De “diagnose” van Jan Taekes viel slecht. Spaanse pokken is ook bekend als Venusziekte en daarmee werd aangeduid wat wij nu syfilis noemen, een soa, die ook allerlei huidvlekken kan veroorzaken. Verder zou je er “klap-ooren” van kunnen krijgen. Die huiduitslag zou dan wijzen op een onconventionele levenswijze van de notaris.

Spaanse pokken

Spaanse pokken

Dat viel dus slecht en Jan Taekes werd door Sinnema voor het gerecht van Opsterland gedaagd. In dat gerecht hadden grietman Livius Suffridus Lycklama à Nijeholt als commissaris en secretaris Lycklama à Nijeholt zitting. Livius was gebelgd omdat hij door Jan “achter de rugge” was “geinjureert” (beledigd). Jan Teakes zou hiervoor moeten boeten en betalen. Daar stond Jan dan voor de commissaris en secretaris en hij werd klein, heel klein. Voor het gerecht verklaarde hij al het gesprokene te revoceren (herroepen) en ook dat de door hem uitgesproken “infameringe” en “eer-rovinge” een grote en onbezonnen leugen was die hij valselijk had gespargeert (verspreid).

Tijdens de zitting bleek dat de commissaris en secretaris (beiden) Lijcklema à Nijeholt een alternatieve straf voor Jan hadden bedacht, waarover ze tevoren met Sinnema hadden overlegd. Jan Taekes verklaarde namelijk dat hij aannam tot een amende (boetedoening, straf) bij gratie, hoewel onverdiend, om wegens zijn geperpetreert  malum factum (volvoerde kwaadaardige actie) binnen zes weken aan de diaconie van Beetsterzwaag een somma geld te betalen. Helaas heeft de secretaris in de acte eerst wel ruimte gelaten om een bedrag in te vullen, maar het bedrag er later niet bijgeschreven. Dat bedrag was rechtens invorderbaar en werd door Sinnema aan de diaconie geschonken. Standaard was de normale boete op verbale injurie (belediging) in die tijd 12 of 18 caroliguldens, te betalen aan de procureur fiscaal van de grietenij. De gratie bestond dus daarin dat Jan niet strafrechtelijk werd veroordeeld maar min of meer vrijwillig een bedrag betaalde via Sinnema aan de armenbezorgers. Jan zag af van alle eventuele rechtsmiddelen om het bedrag terug te vorderen, ook als de donatie niet valabel (niet rechtsgeldig) zou zijn. De opgemaakte akte zou  dienen om “in perpetuam rei memoriam” ( ter eeuwige gedachtenis) te mogen strekken.

Kortom: timmerman Jan Taekes had notaris Livius Sinnema zwaar beledigd door rond te bazuinen dat “die grote duivel” syfilis had. Jan kreeg niet de gebruikelijke straf maar in plaats daarvan betaalde hij een bepaald bedrag dat door Sinnema vervolgens aan de armenverzorgers van Beetsterzwaag werd geschonken.

Persoonlijk houd ik (red.) hier niet zo van, een beetje groot doen door andermans geld aan de armen te schenken. Maar het gebeurde vaker op die manier. De regerende armenbezorgers van Beetsterzwaag zullen er wel blij mee zijn geweest, vaak was schraalhans keukenmeester in de diaconiekas. Dat zou in een dorp als Beetsterzwaag met zoveel notabelen als inwoners eigenlijk geen item mogen zijn.

Jan Taekes gooit er, beschreven in de akte,  allerlei Latijnse en potjeslatijnen woorden uit. Als timmerman zal hij zijn vakgebied wel goed hebben beheerst, maar het spreken van Latijn zal daar niet bij hebben gehoord. Je mag dan ook aannemen dat de alternatieve straf hem is opgedrongen. Terug kon hij niet, want hij deed, ook in allerlei Latijnse bewoordingen, afstand van zijn rechten.

Wat naar mijn mening blijft is, ook al vind je iemand, bijvoorbeeld een notabele “ een grote duivel”, je nog wel je fatsoen moet houden. Wat met deze acte in het recesboek van Opsterland wel is bereikt dat deze diende ”in perpetuam rei memoriam”.

De acte is gedateerd 14 april 1736. Livius Sinnema had waarschijnlijk geen sterk gestel en is niet lang daarna overleden. In november 1738 nemen diverse andere procureurs zaken over die de inmiddels overleden Livius Sinnema nog had lopen voor het gerecht van Opsterland. Livius werd slechts 45 jaar oud. Op zijn zonen, die ook van zich lieten spreken kom ik op deze site nog wel terug.

, , , , , , , , , , , , ,

2 reacties

Pastorije boomgaard in Ureterp

Voor de Reformatie hadden veel dorpen in Fryslân (en elders) een pastoor die de geestelijke verzorging waarnam. De pastoor en later, na de Reformatie, de dominee moest natuurlijk wel worden bekostigd. Tot aan het ontstaan van de Bataafse republiek gebeurde dit door de opbrengsten van de verhuur van een boerderij, de plaatselijke pastoriezathe, daarvoor te bestemmen. Bijna elk dorp had wel een dergelijke zathe, je vindt ze terug in de stem- en floreenkohieren.

In de grietenij Opsterland waren zo rond 1600 slechts twee predikanten actief, in Beetsterzwaag en in Lippenhuizen. In het begin van de 17e eeuw werd besloten dat er nog een derde predikant mocht worden beroepen. Tevens werd toen besloten dat de dorpen Wijnjeterp, Duurswoude, Siegerswoude en Ureterp een kerkelijke combinatie zouden vormen, welke door een eigen predikant zou worden bediend. Ook werden toen de opbrengsten (opkomsten) van de pastoriegoederen uit de grietenij verdeeld. Dat leverde een ietwat merkwaardige verdeling op van kerkcombinaties en pastorieopbrengsten, waar ik nog op terugkom op deze site. Pas in 1619 wordt in Wijnjeterp een predikant vermeld, die de genoemde vier dorpen bediende. Het duurde nog tot 1722 voordat deze combinatie werd gesplitst en Ureterp en Siegerswoude een eigen predikant kregen. Bijna anderhalve eeuw woonde er dus geen predikant in Ureterp. Maar de pastoriezathe werd natuurlijk wel verhuurd zodat de in Wijnjeterp wonende predikant daaruit mede zijn inkomsten had.

Op de pastoriezathe in Ureterp was een boerderij gebouwd, die geen eigendom van de kerkgemeenschap / predikant was. Die boerderij kun je situeren achter en iets westelijk van het kerkgebouw, zo ongeveer waar nu Boonstra woont (Selmien East 45). In begin 1656 was deze boerderij op de pastoriezathe eigendom van Bokke Siegers. Na diens overlijden werd er een nieuwe huurder voor de pastoriezathe gezocht en gevonden in de persoon van Jan Luitsens. Hij moest daarvoor wel de gebouwen en wat daarbij hoorde van de erfgenamen van Bokke Siegers overnemen. Ten overstaan van het gerecht van Opsterland werden op verzoek van Gjalt Wopkes en Alle Goitses, curatoren van de kinderen van Bokke Siegers, de over te nemen goederen getaxeerd.

Het gerecht stuurde op 4 mei 1656 Gurbe Baukes en Hendrik Jan Minnes, beiden meester metselaar en timmerman te Beetsterzwaag naar Ureterp. Ze taxeerden het huis “staande op de pastorije” op 550 goudguldens, de schuur op 121 goudguldens en het schapenhok op 73 goudguldens en 14 stuivers. Totaal waren de opstallen 744 goudguldens en 14 stuivers waard. Jan Luitsens betaalde diezelfde dag al 200 goudguldens. Uit een aantekening in de marge van de acte blijkt dat Jan Luitsens op 7 mei 1657 nog eens 300 daalders van 30 stuivers per stuk betaalde.

boomgaard op pastoriezathe Ureterp

boomgaard op pastoriezathe Ureterp

Maar daarmee was het nog niet afgelopen. Op het erf van de boerderij, in de acte genoteerd als “in de hovinge” stonden ook nog eens een aantal vruchtbomen. In 1832 staat deze “hovinge” nog als boomgaard op de kadastrale kaart. Voor de “hovinge” kwam er een andere taxateur, een gardenier uit Beetsterzwaag, waarvan de naam niet werd vermeld, langs op 7 mei 1656. Misschien was dat Jelle Jelles die vaker door het gerecht werd ingeschakeld voor dit soort klusjes.

Deze gardenier taxeerde het volgende:
– Veertien geënte bomen, zowel appel- als perebomen per stuk waard 14 stuivers, samen 9 caroliguldens en 16 stuivers.
– Acht ongeënte bomen per stuk waard 8 stuivers, samen 3 caroliguldens en 14 stuivers.
– Tweeëndertig pruimen- en kersenbomen per stuk waard 6 stuivers, samen 9 caroliguldens en 12 stuivers.
Verder taxeerde hij het planten “ ofte setten” van de bomen per stuk op 2 stuivers, samen dus 5 caroliguldens en 8 stuivers.

Het eindbedrag waar de gardenier op uitkwam was 28 caroliguldens. Hij gaf tevens aan dat door hem het weekhout niet was getaxeerd, maar Jan Luitsens had dat wel gekocht. Opvallend vind ik dat er blijkbaar toen al bomen werden geënt.

Wat moet dat een rijk beeld zijn geweest, een boerderij met schuur en schapenhok met een dikke vijftig fruitbomen in de “hovinge” ofwel boomgaard. Zelf ben ik opgegroeid op een boerderij met daaromheen wat wij noemden een “appelhof” vol met appel- en perebomen. Zo uit m’n hoofd herinner ik me nog de Jonathan en de Rode Joop als handappelen en de Goudrenet als “smotsappel” (geschikt voor appelmoes). Verder herinner ik me de rode, zwarte en kruisbessen en de buikpijn als je van onrijpe bessen had gesnoept. Ze zullen er nog wel zijn, de appelhoven / fruithoven / boomgaarden bij een boerderij, maar helaas zijn ze toch grotendeels uit het landschap verdwenen. Ik kan er zelf geen enkele meer aanwijzen.

Tenslotte: Jan Luitsens bleef niet lang huurder van de Ureterper pastoriezathe. In mei 1665 vertrok hij weer. Opnieuw werden toen de opstallen en boomgaard getaxeerd. Lambert Jans en Siebe Fokkes, timmerlieden en metselaars uit Beetsterzwaag taxeerden op 18 mei 1665 het huis, de schuur, het schapehok en de vruchtbomen, nu wel samen met het weekhout, op 827 goudguldens en 14 stuivers.

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Faillissementsfraude

Zo af en toe verschijnt er tegenwoordig een artikel in de krant over faillissementsfraude, waarbij goederen frauduleus aan een boedel worden onttrokken. Dat is niet alleen een fenomeen uit onze tijd, ook vroeger was er sprake van.

In het jaar 1667 verscheen het echtpaar Gauke Sierds en Wyb Doeijes, waarschijnlijk wonend in Ureterp, in de secretarie van de grietenij Opsterland. Ze verklaarden door “quade fortuijn” en andere onregelmatigheden in zware schulden te zijn vervallen. Ze hadden gehoopt hun schulden  te kunnen afbetalen “indien haer segen en jaeren van Heere vergunt waren”. Maar Jelis Jans en diens zoon Minne Jelis en anderen stuurden de executeur langs waardoor ze in hun goede voornemen werden “bedurven”. Daarom hadden Gauke en Wyb een staat van hun bezittingen en schulden gemaakt. Ze waren tot de conclusie gekomen dat het onmogelijk was hun schulden af te betalen. Daarop hadden ze hun crediteuren op 1 augustus 1667 via een commissaris uitgenodigd om “remis”, dat is uitstel van betaling, te verlenen. De crediteuren hadden overlegd maar waren er niet uitgekomen. Gauke en Wyb besloten dat het maar het beste was als hun bezittingen door een commissaris en secretaris van het gerecht van Opsterland werden verkocht tegen de hoogst mogelijke prijs zodat uit de opbrengst van de verkoping hun crediteuren naar volgorde van preferentie konden worden betaald. Ze overhandigden de staat van bezittingen en schulden aan het gerecht met het verzoek aan de crediteuren dit te willen accepteren en daarmee te volstaan.

De aanvraag werd keurig geformuleerd. Vroeger noemden ze dit een acte van abondon, verlating. Het zag ernaar uit dat Gauke en Wyb al hun goederen verloren en dat hun crediteuren zich tevreden zouden moeten stellen met een verdeling van de opbrengst naar preferentie.

Maar behalve de al genoemde Jelis Jans en diens zoon Minne Jelis waren er nog een aantal anderen die geld tegoed hadden en dat waren niet de minsten. Genoemd worden Lucia van Siccama (weduwe van de grietman Saco Fockens), Antje van Andringa (weduwe van de secretaris Saco van Teijens), Wiskjen Fockens (weduwe van Tinco van Teijens) en Aijso Hemminga als man en voogd over Rintske Boelens. Zij behoorden tot de toplaag van de bevolking in die tijd in Opsterland. De crediteuren waren het niet eens met de aanvraag voor abondon van Gauke en Wyb. Volgens de crediteuren hadden Gauke en zijn vrouw de goederen niet te goeder trouw aangegeven. Ze hadden geen wettelijk bevestigde, onder ede opgemaakte, inventarisatie van hun goederen laten maken. Verder zouden Gauke en zijn vrouw goederen bij een broer hebben verstopt en die goederen niet op hun staat van bezittingen hebben vermeld. Ja, het was nog erger, ze zouden frauduleus, “in hun moedwillige desolaatheid”, goederen voor half geld hebben verkocht aan die broer en ook aan anderen.

Het protest was duidelijk, de crediteuren voerden faillissementsfraude aan. Hoe deze zaak is afgelopen weet ik op dit moment (nog) niet. Of de crediteuren hun aantijgingen gestand hebben kunnen doen staat daarmee niet vast. Wel kun je uit de betreffende acte concluderen dat het begrip faillissementsfraude ook in het jaar 1667 een bekend fenomeen was.

Nog verder terug in de tijd, in het jaar 1643, liep in de nacht van vrijdag 3 op zaterdag 4 april een zekere Jan Uilkes rond met een wieg op het hoofd. Jan was een broer van Wiebe Uilkes die bankroet was verklaard. In die nacht troffen beide mannen net de verkeerde. Sjoerd Tjibbes de secretaris van de grietenij Aengwirden had iets genuttigd in de herberg van Jan Jansen “op’t veen over de brugge”. Sjoerd Tjibbes was na inname onderweg naar huis en gekomen tot aan Jelle Sakes, “olde weerd”,  bij de hoek van het huis Bentem. Daar kwam hij Jan Uilkes tegen die dus met een wieg op het hoofd rondliep. Wiebe Uilkes kwam net iets later aanlopen en hij droeg een wagenkist op zijn schouder en een “suypvat” onder de arm. Dat was echter allemaal net iets te zwaar. Daarom zette Wiebe de spullen neer op de stoep van Willem Bartles huis, dat naast Bentem stond. Secretaris Sjoerd Tjibbes zal vast hebben gevraagd wat er aan de hand was. Wiebe Uilkes zou Sjoerd daaropvolgend met een “seeckere instrument”, met iets dus, op de mond, kin en borst hebben geslagen. Sjoerd raakte daarbij in onmacht en viel achterover. Wiebe liet hem liggen en zei: “De duivel heeft genoeg”. De beide broers moesten zich voor het Hof van Friesland verantwoorden. Het bewijs was kennelijk niet overtuigend, er was slechts één getuige, en alles was gebeurd in een donkere nacht. Zowel Wiebe Uilkes als zijn broer Jan Uilkes werden “geabsolveert”, vrijgesproken dus.

Maar ook hier, in 1643, blijkt weer dat het verdonkeremanen van goederen bij een bankroet geen onbekend verschijnsel was.

Dat zal ook altijd wel zo blijven.

, , , , , , , , , , , , , , , ,

1 reactie