Stiekem gedoopt

Dit is het vervolg van “Huwelijksproblemen Ynse en Ritskje”, klik hier.

Eén punt is tot nu toe in het verhaal over de huwelijksproblemen van Ynse van der Veen en Ritskje Nieuwenhuis uit Leeuwarden onderbelicht gebleven, terwijl het wel belangrijk was in de gevoerde processen. Ynse en Ritskje hadden samen een dochter, Maria genaamd. Het kind was op 9 januari 1798 in het huis van grootmoeder Catharina Ruitinga weduwe Nieuwenhuis geboren, waar anders. Rondom die geboorte speelde zich weer een familiedrama af. Aan Ynse was niet verteld dat Ritskje het leven aan een dochter had geschonken, aan zijn moeder overigens wel. Ynse wilde daarop moeder en kind zien, maar dat werd hem botweg geweigerd, hij kwam niet meer binnen. Ook de “kraambewaardster” Maria Rosendal, weduwe van Frederik Klenter, ontzegde Ynse de toegang tot het kraamhuis. Maria verklaarde dat Ritskje, toen ze hoorde dat haar man aan de deur stond, in grote paniek raakte. Ze was nauwelijks nog tot bedaren te brengen. ’s Nachts werd Ritskje af en toe wakker na een nachtmerrie waarin ze had gedroomd over Ynse voor wie ze vol “vrees en schrik” was. Deze verklaring zal zeker hebben meegespeeld in de beslissing van de rechters.

Moeder Ritskje wilde wel dat het kind werd gedoopt. Daarom stond de burger A. Hobbema ineens op de stoep van Ynse en vroeg of hij genegen was het kind ten doop te houden. Dat liet Ynse zich echter niet door die burger vragen. Hij zag een kans en ging naar de toenmalige voorzitter van de gemeenteraad die bode Ferwerda met Ynse meestuurde om naar het huis van diens schoonmoeder te gaan. Daar werd Ynse opnieuw de toegang geweigerd door in dit geval de oudste zuster van Ritskje. Behalve de bode keek ook de echtgenote van Hobbema mee tijdens dat bezoek. Op zijn vraag of Ritskje met het kind bij hem kwam wonen kreeg Ynse als antwoord “dat zulks niet zoude geschieden”. Ynse keerde onverrichter zake terug en beklaagde zich bij de voorzitter. Die gaf daarop opdracht aan koster Titus van Kooten om geen doopbriefje af te geven zonder voorkennis van Ynse. Er kon dus niet worden gedoopt  in Leeuwarden.

Maar de familie Nieuwenhuis had een plan. De timmermansknecht Johannes Trippenzee werd op pad gestuurd met een briefje van Ritskje. Hij ging naar Deinum, naar de predikant Johannes Groenewoud en stond daar op zondagmorgen 11 februari 1798 om acht uur voor de deur. Het verzoek van Ritskje was om nog diezelfde middag haar kind te laten dopen. Het kind was volgens het briefje in onecht verwekt door Ynse van der Veen. De dominee vroeg aan Trippenzee waar de vader van het kind dan was. Het antwoord luidde dat dit niet bekend was. Ook moeder Ritskje zelf was te zwak om naar Deinum te komen en er zouden in haar plaats getuigen meekomen. Dominee Johannes trapte in de smoes, stemde toe en ’s middags werd het kind gedoopt. Als getuigen traden op de echtgenote van Trippenzee (Maria Blom),  die ook de belofte aflegde en de echtgenote van stadsbode Hobbema (Antje Pieters Zijlstra). Volgens Ynse was Maria Blom de grootste vriendin van Ritskje. Het kind werd ook naar haar genoemd, Maria dus. Dominee Groenewoud moest zich later verklaren en gaf aan dat achteraf ook aan hem was gebleken dat Ritskje de echtevrouw (wettige echtgenote) was van Ynse van der Veen. Ondanks alle uittreksels van de doopakte die zowel in de processtukken als in de huwelijksbijlagen zijn aangetroffen staat deze doop echter niet vermeld in de nog aanwezige doopboeken van Deinum bij Tresoar. Heeft dominee Groenewoud het toch maar niet opgeschreven omdat hij zich bedrogen voelde?

Formeel gezien had Ritskje gelijk, ze was al in verwachting toen ze met Ynse trouwde, maar als een kind werd geboren als de ouders intussen waren getrouwd werd het niet meer als buitenechtelijk beschouwd.

Misschien ligt daar ook wel de hele crux van de problemen tussen Ynse en Rikstje. Misschien wilde de notarisfamilie Nieuwenhuis Rikstje behoeden voor wat toen werd gezien als de schande van het krijgen van een buitenechtelijk kind. Daarvoor was een huwelijk met verwekker Ynse noodzakelijk, maar hij was niet de ideale schoonzoon. Ynse, koopman, dacht een slaatje uit te slaan uit het gedwongen huwelijk door duizend gulden te eisen. Dat viel verkeerd, hij mocht vanaf de dag na het huwelijk overdag niet in het huis van schoonmoeder komen, werd steeds meer weggehouden van zijn wettige echtgenote, gedroeg zich dominant tegenover zijn echtgenote om te proberen haar onder moeders plak uit te krijgen, ging af en toe door het lint tegen die schoonmoeder  en werd na een paar maanden huwelijk zelfs afgedroogd door een zwager, waarna Ynse op zichzelf ging wonen. Wat weer reden was om hem compleet aan de kant te schuiven. Ynse was zelf ook niet erg behulpzaam om een eind aan de toestand te maken.

Ritskje hertrouwde in 1813 in Bergum met de koopman en cichoreifabrikant Eelke Boonstra, maar dit huwelijk duurde slechts twee jaar door het overlijden van Eelke. In de huwelijksbijlagen is een schriftelijke verklaring opgenomen van moeder Catharina Ruitinga die aangaf te “consenteeren en volkomen genoegen te neemen in het huwelijk”.  Ritskje en Eelke trouwden onder huwelijksvoorwaarden die uitvoerig zijn beschreven in het notarieel archief van Gerrit Wilhelmij, (kantoor Bergum I, repertoire 012030).

Het stiekem gedoopte kind, Maria, was alleen maar speelbal in deze tragedie. Ze ging met haar moeder mee naar Garijp. Daar trouwde ze met Theunis Wyminga, kreeg 9 kinderen en overleed in 1857 in Oudega (S), slechts een paar jaar na haar moeder.

Advertenties

, , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Huwelijksproblemen Ynse en Ritskje

Dit is een vervolg op de fragmentgenealogie Van der Veen / Van der Feen die als bijlage het vorige bericht is gevoegd, klik hier.

Ynse van der Veen (onder II-a nummer 3 pagina 3 en 4 in die bijlage) uit Leeuwarden werd  op 14 mei 1773 geboren als zoon van Reinder van der Veen en Titia van Campen.  Hij trad op 17 juli 1796 voor het eerst voor het voetlicht als kapitein van de Kweekschool Jonge Artilleristen in Leeuwarden. In een advertentie in de Friesche Courant, “in het tweede jaar de Bataafse vrijheid”,  werden jongelingen tussen de 12 en 18 jaar opgeroepen om zich aan te melden voor exercitie en het zich kundig maken in de “voor ons Land zo nuttigen taak als die der Artillery”. Ynse had zich dus aan het Bataafse gedachtengoed verbonden.

Ynse werd koopman en ging zich bezighouden met het woningaankleding. Hij startte een winkel in interieur- en behangartikelen, verkocht verfwaren, was “fabriquer van Vriesch groen”, waarschijnlijk verf met een kenmerkende groene kleur. Op 20 augustus 1797 trouwde hij met Ritskje, een dochter van de reeds overleden notaris Jan Nieuwenhuis en  van Trijntje Ruitinga. Het was een “moetje”, Ritskje was toen al in verwachting. Voordat een huwelijk kon worden gesloten moest het eerst drie keer worden geproclameerd. Dit om aan belanghebbenden de gelegenheid te geven eventuele bezwaren te uiten. Nadat het huwelijk van Ynse en  Ritskje voor de eerste keer was geproclameerd was Ynse ’s avonds laat brutaalweg naar zijn aanstaande schoonmoeder toegegaan en had maar liefst duizend gulden geëist. Als hij dat niet zou krijgen, zou Ynse de voortgang van de proclamaties stopzetten. Aanstaande schoonmoeder Trijntje weigerde, waarop Ynse doorgaf aan de stadsbode Bonnema dat hij afzag van het huwelijk.  Ynses moeder bemiddelde echter en men werd het weer eens. Het huwelijk kon toch doorgaan. Ynse en Ritskje hadden afgesproken dat ze tot mei 1798 bij Ritskjes moeder in huis zouden intrekken. Aldus gedaan, maar op de eerste dag na de huwelijksdatum had schoonmoeder Catharina al tegen Ynse gezegd dat hij in het vervolg ’s morgens vroeg het huis moest verlaten en daar niet eerder dan ’s avonds na tien uur mocht terugkomen.

Dat kon niet goed blijven gaan, de zaak escaleerde. Op 1 november 1797 werd Ynse door zijn zwager Heert Kingma, getrouwd met schoonzuster Doetje Nieuwenhuis, in elkaar geslagen en voelde zich daardoor gedwongen te vluchten uit het huis van zijn schoonmoeder, waarna hij zijn eigen huishouding begon. Overigens zonder zijn vrouw die bij haar moeder bleef wonen. Ynse praatte met zijn vrouw, ging naar het huis van schoonmoeder maar werd niet binnengelaten, schreef een brief en deed allerlei pogingen om Ritskje naar zijn eigen huis te halen. Hij had al eens tegen zijn schoonmoeder gezegd dat zij zich niet met zijn huwelijk moest bemoeien:  “het is mijn vrouw, ik ben daar meester over”. Het baatte hem niet. Zo langzamerhand was er sprake van vijandschap tussen hem en zijn schoonfamilie. Ynse schold zijn schoonmoeder, de notarisweduwe,  uit voor “dou blixem”, nadat ze weer eens ruzie hadden. De familie Nieuwenhuis zag Ynse als een bullebak die zijn vrouw zeer onheus bejegende, bedreigde en grote angst inboezemde. Eenmaal had Ritskje toegezegd toch bij hem te komen wonen. Die toezegging was echter al heel gauw ingetrokken. Bovendien zou Ynse volgens zijn schoonfamilie ook nog eens in een kot of hol in de Driedaalderssteeg wonen. Dat was zeker geen plaats voor de dochter van een notaris. Ynse gaf echter aan een keurig huis te hebben  gehuurd dat zeker naar de zin van Ritskje zou zijn. Maar de schoonfamilie stookte volgens hem Ritskje zodanig op dat ze helemaal verblind was voor zijn goede bedoelingen.

Uiteindelijk kwam Ynse tot de erkenning dat het geen zin had te proberen zijn echtgenote bij zich in huis te krijgen en hij vroeg seclusie (scheiding) aan bij het Hof van Friesland wegens kwaadaardige verlating. Dan zou hij kunnen hertrouwen. Ritskje verscheen helemaal niet tijdens dat eerste proces. Maar ….., Ynse kreeg toch nul op het rekest van het Hof, zijn verzoek werd op 29 maart 1803 afgewezen.

Die uitspraak kreeg een vervolg. Als hij niet mocht scheiden dan wilde Ynse dat Ritskje bij hem in huis zou komen wonen. Weer ging er een verzoek naar het Hof. Ynse liet getuigen opdraven, meest oude buren, die aangaven dat hij een beminnelijk man was. De familie Nieuwenhuis zag het anders, Ynse was een bullebak. Ritskje had nog wel het aanbod gedaan om dan maar te scheiden van tafel en bed. Zuster Femkje Nieuwenhuis legde een verklaring af over kwaadaardige verwijten, hoon en smaad die Ynse aan Ritskje had toegebracht en dat hij  haar bovendien bedreigde met vreselijke bewoordingen en gebaren. Zo moest Ritskje ’s nachts zelf wel het bed uit vluchten om aan Ynse te ontkomen. Moeder Trijntje alias Catharina vertelde hetzelfde verhaal. Ze had gedreigd de ratelwacht of andere assistentie in te schakelen als Ynse niet ophield haar dochter te bedreigen en te intimideren. Volgens Catharina Ruitinga had Ynse zelf haar huis vrijwillig verlaten. Ook deze keer ving Ynse bot bij het Hof, zijn verzoek werd opnieuw afgewezen. Ritskje hoefde niet bij Ynse komen wonen en de door hem zo gewenste huwelijksplichten te vervullen. Ritskje verliet op 12 april 1804 het huis van haar moeder en begon in Garijp een winkelnering. Begin januari 1805 deed ze daar aangifte van diefstal van doek uit haar winkel en van trijp, een dure stof, gemaakt van geitenhaar. Ze kon de diefstal niet verklaren. Zou Ynse misschien …? Maar dat laatste staat niet in de aangifte.

Intussen gingen de zaken van Ynse ook door. In 1802 adverteerde Ynse met nieuwmodisch papieren behang, hij woonde toen op de Vleesmarkt aan de Nieuwe Pijp in Leeuwarden. In maart / april 1807 adverteerde hij met fitriool-olie omdat hij had uitgevonden dat je hierdoor “het Weder uit de glazen” kon krijgen en met zijn uitvinding waarbij je van één pond was twee kon maken en ook hoe je een soort stijfsel kon maken waarmee je kon wassen en het resultaat zou beter zijn dat bij het wassen met groene zeep.  Hij woonde toen op de hoek van de Nieuwe Steeg in Leeuwarden, hetzelfde adres als in 1802. In de laatste jaren lardeerde hij zijn advertenties met zinspreuken.

advertenties Ynso van der Veen

Het was allemaal zeer teleurstellend afgelopen voor Ynse, hij had zijn liefde voor Rikstje geuit, zijn goede wil betoont, er alles aan gedaan om Rikstje thuis te krijgen en nu dit, volgens Ynse althans. De laatste uitspraak van het Hof was op 27 oktober 1806. Daarna ging het bergafwaarts met Ynse. In april 1807 waarschuwden door het Hof van Friesland aangestelde curatoren, waaronder zijn broer Feico, al om geen zaken meer met Ynse te doen, het Hof van Friesland had hem op 14 april 1807 de administratie over zijn goederen ontnomen. Op 4 mei van dat jaar verkochten die curatoren al zijn bezittingen in een boelgoed. De winkel stond zoals eerder geschreven op de hoek van de Nieuwe Steeg aan de Vleesmarkt (de tegenwoordige Nieuwestad). Maar op 7 of 8 juli 1807 kreeg hij van het Hof alweer de vrije administratie over zijn goederen terug. Half juli 1807 verbleef hij in “De Ster” bij de Hoeksterpoort ten huize van de kastelein H. Westra. Eind juli 1807 had hij alweer een winkel, nu in de Grote Kerkstraat naast het postkantoor en adverteerde in de Vriesche Courant met verf en behang. Niet lang daarna, op 22 november 1807, overleed hij  in Bakkeveen en werd begraven in Duurswoude. In Bakkeveen woonde nogal wat familie, misschien heeft hij bij hen zijn heil gezocht. In 1810 is er al weer sprake van de gerepudieerde boedel van Ynse en van een curator die de zaken afhandelde. Het was Ritskje zelf die de boedel van Ynse had gerepudieerd zoals blijkt uit een notariële akte uit 1813 waarin de huwelijkse voorwaarden worden beschreven van haar tweede huwelijk.

Dit verhaal is niet compleet en krijgt vanwege lengte nog een vervolg, er zit nog een bijzonder slot aan vast, klik hier.

, , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Mata Hari, nakomeling van een eveneens ter dood veroordeelde

In het onlangs verschenen Genealogysk Jierboek (GJB), jaar 2017 van de Fryske Akademy is opgenomen de kwartierstaat van Margaretha Geertruida Zelle alias Mata Hari. Zoals bekend werd Mata Hari in 1917 in Frankrijk als spion ter dood veroordeeld en geëxecuteerd, na een turbulent leven. Haar voorouders met de kwartiernummers 46 en 47 in de publicatie, zijnde Feike Reinders en Froukje Sjoerds komen me heel bekend voor en dan vooral Feike Reinders. In het GJB 2017 zijn de ouders van Feike niet meer opgenomen en dus mogelijk onbekend aan de schrijvers van het artikel. Die voorouders zijn mij echter wel bekend.

Feike Reinders is een broer van mijn eigen voorouder Teetske Reinders, die achtereenvolgens was getrouwd met Sweitze Linzes en Halbe Tjeerds. Na het overlijden van haar eerste man en voor het huwelijk met Halbe Tjeerds had Teetske een relatie met Pieter Baniers uit Drachten. Er werd zelfs een dochter geboren uit die relatie.

Maar Pieter Baniers wilde zich niet binden aan Teetske, hij weigerde zijn trouwbeloften gestand te doen en het huwelijk te laten bevestigen. Dat leidde tot een civiele zaak voor het Hof van Friesland inzake trouwbeloften en ook tot een criminele zaak voor dat Hof toen Pieter in diezelfde tijd in ondertrouw ging met nog een andere vrouw. Zonder op deze zaken op dit moment te diep  in te gaan blijkt uit verklaringen in beide  zaken duidelijk de familierelatie tussen Feike Reinders en Teetske Reinders.

In april 1738 legde Feike Reinders een verklaring af ten gunste van zijn zuster Teetske. Hij was op dat moment koekebakkersknecht te Leeuwarden en oud in het 27e jaar. In de zomer van 1737 was hij op bezoek geweest bij zijn ouders in Zuiderdragten. Daar trof hij ook Pieter Baniers, aan wie hij had gevraagd of het voorgenomen huwelijk met zuster Teetske binnenkort zou worden voltrokken. Pieter had bevestigend geantwoord. In allerlei stukken in de betreffende processen wordt duidelijk dat Feike en Teetske kinderen waren van het echtpaar Reinder Ynses en Aaltje Romkes in Zuiderdragten. Nog een andere zoon van dit echtpaar, Wytse Reinders, speelde ook een rol. Wytse was meester bakker in Menaldum en zowel hij als zijn echtgenote Hiltje Siccama legden verklaringen ten gunste van Teetske af. Alle kinderen van Reinder Ynses en Aaltje Romkes werden gedoopt in Drachten. Een andere dochter, de jongste, het nakomertje, Sara geheten, wordt in de processen niet vermeld. Ze was daarvoor nog te jong.

Vader Reinder Ynses werd in 1684 gedoopt in Drachten als zoon van Ynse Reinders en Teetske Alles. Dat brengt me bij het Genealogysk Jierboek, jaar 1996 waarin opgenomen de kwartierstaat van Tina Annes Voolstra, opgesteld door Onno Hellinga, blz. 120, de kwartiernummers 574 en 575, waar dezelfde Ynse Reinders en Teetske Alles ook worden vermeld. Teetske Alles was een kleindochter van Evert Sjoerds Haxta.

Het is deze Evert Sjoerds Haxta die evenals zijn nakomeling Mata Hari ter dood werd veroordeeld en werd geëxecuteerd. Mata Hari stond voor het vuurpeloton en Evert Sjoerds Haxta werd onthoofd met het zwaard.

Evert Sjoerds Haxta uit Terzool stak op 22 februari 1617 te Roordahuizum (Reduzum) in een herberg met een mes een zekere Hoite Melis in de arm en toen Douwe Tjallings uit Friens vroeg waarom hij dat deed stak Evert vervolgens deze Douwe met het mes in de linkerborst. Eenmaal buiten de herberg zwaaide Evert ook in het gebuurte van Reduzum nog met zijn bebloede  mes om zich heen. Evert  raakte daarbij opnieuw in gevecht met Hoite Melis. Douwe Tjallings overleed ten gevolge van die messteek in de hartstreek. Evert kreeg door dat het foute boel was en ging er vandoor. Hij verbleef een tijdlang op Ameland, wat destijds een heerlijkheid was, eigendom van een heer, en als zodanig apart stond van Friesland. In de tijd dat hij voortvluchtig was verwekte hij bij twee verschillende vrouwen een kind.

Uiteindelijk kreeg justitie Evert toch te pakken, hij moest voor de rechters van het Hof van Friesland verschijnen en op 16 februari 1633 hoorde Evert de uitspraak: “omme bij den scherprechter op het schavot geleidet, metten swaerde geëxecuteerd ende van ’t leeven ter doodt gebracht te worden”. Het Hof van Vriesland gunde zijn lichaam nog wel een begrafenis.

Meestal volgde in een dergelijk proces een ophanging als straf, maar hier dus een onthoofding en een “gewone” begrafenis. In het geval van ophanging bleven de lijken van terechtgestelden bijna altijd achter op het executieterrein ter afschrikking. Die buurt in Leeuwarden heet niet voor niets Droevendal.

Evert genoot bij zijn leven nog een andere “gunst” van justitie. Tijdens zijn gevangenschap voor de veroordeling en executie kreeg hij verlof om in de kamer van de cipier te verblijven. Hij hoefde dus niet constant in het donkere “gevangenishol” te zitten. Daar waren wel voorwaarden aan verbonden, Evert moest in die cipierskamer boeien dragen en er moest daar ook een bewaarder op Everts kosten aanwezig zijn. Verder moest er een borgsom van 500 goudguldens worden gestort tegen eventueel ontvluchten.

Dat alles laat zien dat Evert Sjoerds Haxta niet onbemiddeld was, hij was van “goede komaf”. Als je de kwartierstaat Voolstra in het GJB volgt kom je via zijn moeder, die een Heslinga was, uiteindelijk terecht bij Epe Douwes Aylva, die rond 1416 in Witmarsum woonde, bij de Gerbranda’s, de Ockinga’s en de Camstra’s. Niet de eersten de besten dus in het historische Friesland.

Haxta/Hagsta sate in Terzool

Via Evert Sjoerds Haxta, Feike Reinders en anderen  stamt Mata Hari dus ook van deze oude Friezen af.

Om wat dichterbij in de tijd te blijven heb ik (vanaf lange jaren geleden) de gegevens van de nakomelingen van Feike Reinders, de koekebakkersnecht en Froukje Sjoerds verzameld. De familie noemde zich Van der Veen en ook Van der Feen. Die achternamen werden afwisselend en soms ook tegelijkertijd gebruikt. Het maakte destijds niet zoveel uit of je achternaam met een V of met een F werd geschreven.

In een bijlage bij deze publicatie heb ik een fragmentgenealogie Van der Veen / Van der Feen toegevoegd, klik hier.

Van één persoon in dit nageslacht van Feike Reinders zijn zoveel bijzonderheden bekend dat ik diens verhaal opneem in een volgende publicatie, klik hier.

, , , , , , , , , , , , , , , ,

1 reactie

Opsporing verzocht

Het is van alle tijden, criminelen worden opgespoord en vastgezet, maar zo nu en dan gaat er ook weer eens eentje ongewild vandoor. Het gebeurde zelfs in een tijd waarin er nog niet sprake was van proefverloven en dergelijke. In de nacht van 27 op 28 maart 1801 lukte het maar liefst 21 gedetineerden om uit het tuchthuis van Groningen te ontsnappen. Zes van hen werden al gauw weer terug gevonden, maar 15 mannen zagen vooreerst kans om uit handen van justitie te blijven. Daarom werd er een opsporingsbericht opgesteld.

Het bericht dat naar de gemeenteraad van Tietjerksteradeel werd gezonden is bewaard gebleven en had zoals het in de Bataafse periode betaamt de aanhef: “Burgers !”

Na uitleg over het aantal ontsnapten werd het verzoek gedaan “……één of meer dier geaufugeerden in Uwen bedrijve komende, (waarop Gijlieden In naam der Justitie wordt verzogt, alle mogelijke onderzoek te laten doen) dezelve dadelijk te apprehendeeren, en daarvan onverwijld aan mij kennis te geven, waar door Gijlieden de Justitie dienst zult doen.”

Het bericht werd ondertekend door de medeburger A. van der Burg, de procureur generaal van het voormalig gewest Friesland.

Arresteren dus die mannen en het liefst zo snel mogelijk. De namen van de gevluchte gevangenen staan vermeld in het bericht.

ontsnapt uit het tuchthuis in Groningen

Of ze ooit zijn terug gevonden, het is me niet bekend.

bron: Nedergerecht Tietjerksteradeel inv. nr. 1

, , , , ,

1 reactie

Quotisatie Smallingerland in 1801

In Friese archiefbronnen betreffende bewonerslijsten  spelen de quotisatiekohieren uit het jaar 1749 een belangrijke rol. Zo belangrijk dat deze omstreeks het jaar 1980 in druk zijn verschenen in de Fryske Argyfrige “Monumenta Frisica” van de Fryske Akademy. Door die lijsten ontstond er inzicht in de namen, beroepen en welstand van de Friese bevolking in het jaar 1749, uitgewerkt per grietenij en per dorp. Quotisatie betekent: berekening van ieders aandeel naar draagkracht. Het betreft bewonerslijsten inzake op te brengen belastingen.

Er zijn echter meer van dergelijke lijsten gemaakt, ook in latere jaren, waarvan er sommige verloren zijn gegaan en andere nog ergens diep in een archief liggen te verstoffen. Voor (streek-/familie-) geschiedenisonderzoekers kunnen dit belangrijke lijsten zijn, ze geven meer inzicht in de bewoners van een dorp of stad.  Zo ontdekte ik per toeval dat er ook in het jaar 1801 een plan voor quotisatie in de Gemeente Smallingerland is gemaakt.  Dit belastingplan kwam via het Departementaal Bestuur van de Eems binnen bij het Regerend Bewind van de Bataafse republiek. Het Departementaal Bestuur had het plan op 16 december 1800 behandeld naar aanleiding van een besluit van het Uitvoerend Orgaan op 9 december 1800. Op 9 januari 1801 werd het plan door de Tweede kamer ontvangen.

Op 20 / 21 januari 1801 bekrachtigde Tweede Kamer dat belastingplan en het werd doorgestuurd naar de Eerste Kamer. Op 23 januari daaraanvolgend werd het daar behandeld en op 27 januari geapprobeerd, goedgekeurd dus.

Het blijkt dat Smallingerland voor het niet leveren van 17 man ter completering van de Bataafsche Armee in “de poenaliteit” was vervallen voor een bedrag van 892 caroligulden en 10 stuivers. Een dikke boete dus. Het Departementaal Bestuur van de Eems had op 16 december 1800 bepaald naar aanleiding van het besluit van het Uitvoerend Bewind op 9 december daaraan voorafgaand dat er een grondvergadering moest worden opgeroepen in het district om gevolmachtigden te benoemen. Zij moesten vervolgens een plan maken om dat bedrag te kunnen innen.

plan quotisatie Smallingerland in 1801

De Burgers Pieter Tjeerds, Bartele Linses, Feye Oenses, Jan Wopkes, Riemer Rienks Oosterwal, Gerrit Jans Blom, Heinse Bodses, Anne Hoppes, Cornelis Jan Sikkes, Sytse Arents, Feitse Branties, Auwert Annes, Lieuwe Jans, Pieter Jacobs de Vries, Lowys Cornelis, Wyger Lieuwes, Foke Lieuwes en Johannes Balje werden daartoe gecommitteerd.

Deze Burgers maakten lijsten met inwoners van elk dorp en gaven daarin aan welk bedrag er per persoon moest worden opgebracht. Het belastingplan werd op 27 januari 1801 goedgekeurd door de Eerste Kamer. De gemeenteraad van Smallingerland werd gekwalificeerd om de belastingplichtigen twee weken de tijd te geven voor het doen van doleance  (beklag) en daarna het geld te innen, desnoods via parate executie.

Kort samengevat: De Gemeente Smallingerland had rond 1800 17 manschappen te weinig of niet geleverd voor het Bataafse leger. Daardoor moest er een boete van achthonderd twee en negentig en een halve caroligulden worden betaald. Er werd een plan gemaakt om dit bedrag naar draagkracht om te slaan over de inwoners.

Totaal leveren de lijsten de namen op van 679 adressen, onderverdeeld over

Oudega: 98
Nijega: 26
Opeinde: 82
Noorderdrachten: 218
Zuiderdrachten: 169
Kortehemmen: 16
Boornbergum: 70

Er zou worden geïnd naar draagkracht, dus de arme bevolking zal waarschijnlijk in deze lijsten niet zijn vermeld. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een Plan voor quotisatie dat werd goedgekeurd. Hoe de werkelijke uitvoering is geweest zal waarschijnlijk ergens in de archieven van Smallingerland  zijn vermeld. Daaruit zal dan ook moeten blijken hoeveel bezwaren er zijn ingediend en hoe vaak er parate executie moest worden toegepast.

plan quotisatie Smallingerland in 1801

Van Rottevalle is kennelijk geen lijst gemaakt. Dat heeft waarschijnlijk als oorzaak dat dit dorp in drie verschillende gemeenten was gesitueerd. Samen met Harkema-Opeinde had het een grondvergadering en misschien is het daardoor niet apart vermeld. Mogelijk zijn er toch inwoners van dit dorp in de lijsten vermeld, maar dan onder Noorderdrachten en Opeinde / Nijega.

Hoewel de lijsten in druk zijn verschenen zijn ze niet altijd even goed te ontcijferen. Dit wegens drukfouten en omdat tijdens het drukken de inkt hier en daar is uitgelopen en omdat het juist weergeven van de Friese namen wel eens tot een ietwat vreemde “verhaspeling” daarvan leidde. In de uitwerking heb ik niets veranderd, namen die onjuist zijn afgedrukt heb ik niet verbeterd.

Een afschrift van deze quotisatie is als bijlage bij dit blog gevoegd, klik hier.

, , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Stormschade

Orkanen met verwoestende gevolgen zoals die zich in de vorige maand in de Antillen voordeden kennen we hier nog niet. Af en toe krijgen we hier ook te maken met een zware storm. Dat zo’n storm ook hier een behoorlijke impact kon hebben blijkt wel uit een akte in een recesboek van de grietenij Tietjerksteradeel uit het jaar 1735.

Op 19 januari van dat jaar raasde er zo’n zware storm over ons land. Haring Wiegers Steenstra schrijft in zijn “Geschiedenis van Friesland”: “Den 19 januarij en 4 December des jaar 1735 hadden er zware stormen plaats die de zeewerken grootelijks beschadigden, en te lande groote schade aanrigtten”.  Al op 5 februari van dat jaar liet Folkert Jansz van der Plaets, Boekverkoper aen de Voorstraet (in Harlingen) een boekwerk verschijnen getiteld “Op den Gruwzaemen stormwind in Loumaend des jaers 1735”, geschreven door R. Blok. Veel wijzer voor wat betreft de gevolgen van de storm wordt je niet uit de inhoud van dat boekje. Het is vooral stichtelijke rijmelarij die wijst op “s’Hoogsten Almacht” en oproept deze te erkennen. Ook worden er een aantal andere natuurrampen vermeld. Betreffende de storm in januari 1735 staat onder anderen geschreven:

Daer ryst, daer koomt een felle wind,
En schend niet slechts den boom en wortel,
Maer slaet het alles schier te mortel
Waer zyne woede weerstand vind.
’t Schynt all’ te daevren en te kraeken.
Hy woed op zee en open veld,
En sloopt, met yselyk geweld,
Uw trotse gevels en uw daken.

Dit slopen met ijselijk geweld van gevels en daken was helemaal van toepassing op Gerben Meinerts, die op het Bergumerveen onder Hardegarijp woonde.

Bergumerveen

Op 18 mei 1726 huurde hij daar volgens huurcontract een huis, schuur, met zathe en landen van Petrus Adolphus Valerius Aggema van Clant. Gerben had het huis en de schuur aangenomen op “tauxatie van verslimmeringe en verbeteringe” voor een bedrag van 450 caroliguldens. Dat is de zogenaamde huistaxatie, waarbij een huurder de opstallen tegen een getaxeerd bedrag aannam. Als de huur eindigde werd opnieuw getaxeerd en dan kreeg de huurder geld terug, bij “verbeteringe”, of moest bijbetalen, bij “verslimmeringe”, voor de opstallen.

Maar het huis en de schuur waren in de storm van 19 januari 1735 geheel en al verwoest en “ten eenemaal plat tegens de gront nedergevallen”. Gerben huurde nog wel de zathe en dergelijke maar het huis en de schuur waren verandert in een hoop puin. Grietman Hector Willem van Glinstra van Tietjerksteradeel nam het initiatief om tot een oplossing te komen. Gelet op het ongeluk dat Gerben door “des Heeren onbetwistbaare Almagt” was overkomen en gelet op de “geringheit” van Gerbens vermogen was dat noodzakelijk.

Er werd een overeenkomst gesloten tussen Gerben Meinerts en Johannes Gijsbertus Catsius uit Leeuwarden die als geautoriseerde curator optrad voor de beide minderjarige dochters van de intussen in 1732 in Franeker overleden P.A.V. Aggema van Clant en diens (eerste) echtgenote Beatrix Maria Catsius. Die kinderen waren Sjarlotta Catharina en Electa Catharina van Clant. Vastgelegd werd dat de huistaxatie ad 450 caroliguldens betreffende huis en schuur zou worden beschouwd als zijnde nooit geschied. Er zou dus na afloop van het huurcontract geen nieuwe taxatie inzake verslechtering of verbetering worden gemaakt. Gerben had echter nog wel een aantal schulden bij de Aggema van Clant familie. Zo was de huur van de zathe over het jaar 1733 nog niet volledig betaald. Er restte nog een schuld van 48 caroliguldens en twee stuivers. De volledige huur over het jaar 1734, zijnde 57 caroliguldens stond ook nog open. Over beide jaren mocht Gerben de reëelbelasting van 9 caroliguldens en 10 stuivers per jaar aftrekken, maar hij moest dat bedrag over 1734 nog wel aan de belastinginner afdragen. Tevens moest hij ook aan de procureur F. Ypeij nog proceskosten ad 10 caroliguldens betalen. Kortom, Gerben Meinerts hoefde de effecten van de stormschade aan huis en schuur niet te dragen, maar de achterstallige huur inclusief daarover gevallen proceskosten moest hij wel ophoesten.

Gerben beloofde in de overeenkomst zijn schuld prompt te zullen betalen en in het geval van alsnog wanbetaling zou hij zich laten onderwerpen aan “reale en parate” executie. De schuldeiser wilde echter meer zekerheid dan het woord van Gerben. Daarom verschenen Maaike Sakes, de weduwe van Meinert Gerbens uit Hardegarijp, moeder van Gerben Meinerts samen met Hendrik Alles, huisman in Hardegarijp, zwager van Gerben en getrouwd met diens zuster Trijntje, ook voor het gerecht. Ze stelden zich beiden borg voor de verplichtingen van Gerben. Daartoe moest moeder Maaike ook nog eens afstand doen van haar vrouwelijke privileges inzake borgstelling.

Of Gerben Meinerts aan zijn verplichtingen heeft voldaan is me niet bekend. Wel is het zo dat hij in 1738 in Rijperkerk woonde en dus het Bergumerveen heeft verlaten. Op de zathe zal waarschijnlijk wel een nieuw huis zijn gebouwd, maar ook dat is me verder niet bekend.  Wel is bekend dat er op 4 december 1735 en op 1 januari 1737 al weer zware stormen waren opgestoken met grote schade tot gevolg. Als er een nieuw huis op de oude stee in het Bergumerveen is gebouwd dan is het te hopen dat het toen wel stormbestendig was.

, , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Anne Tetmans, paardenman

Anne Tetmans woonde in het jaar 1630 in Beetsterzwaag en hij was op dat moment getrouwd met Aukje Fokkes. Anne was een paardenman, je vindt hem in de archieven van Opsterland een aantal keren in zaken betreffende paarden. Zo was Gooitsen Jacobs in Oudega (S) in 1636 tien daalders schuldig aan Anne wegens geaccordeerde afsteigering van paarden.  Daaruit blijkt dat Anne ook hengstenhouder was. In 1638 was Anne 20 gulden schuldig aan Jetske Claeses de weduwe van Abe Freerks wegens de koop van een “swart blest moerpeer”, een zwarte merrie met een bles.

In mei 1639 verscheen Anne opnieuw voor het gerecht van Opsterland, deze keer om te verklaren dat hij 19 daalders en 11 stuivers schuldig was aan Jan Berends, die ook in Beetsterzwaag woonde. Dit wegens de koop van een “grau peert”, een grijs paard. Anne was van plan dit paard mee te nemen naar het leger. Anne kon dat paard niet direct betalen, maar hij beloofde het bedrag te overhandigen zodra hij zijn soldij had ontvangen. Er kwam schijnbaar een kink in de kabel want de acte werd doorgekrast. Opvallend is dat naast het bedrag van 19 daalders en 11 stuivers in de kantlijn 30-9 werd geschreven, een normale geldnotatie in guldens en stuivers in die tijd, maar die aantekening is in dit verband niet helemaal duidelijk.

Enige tijd hoor je dan niets van de plannen van Anne Tetmans. Wel werd hem begin 1640 de huur van zijn kamer opgezegd door Aaltje Wisses voor haarzelf en als medeerfgenaam van Wisse Aises.

In april 1641 komt de 30-9 aan geld weer bovendrijven. Want dan laat Anne weer een acte registreren waarin hij opnieuw verklaart schuld te hebben bij Jan Berends en deze keer 30 daalders en 9 stuivers wegens de aankoop van een grijs paard, misschien hetzelfde als in het jaar 1639. Bovendien was hij ook nog eens 40 daalders en 9 stuivers schuldig aan Gosse Jans, ook uit Beetsterzwaag, wegens de koop van een “bruin cold peert”. Beide paarden waren op het moment van de registratie al door Anne “te dancke ontfangen”.

Met die beide paarden wilde Anne in militaire dienst gaan bij de Edele Mogende Heeren der Stad Groningen ende Ommelanden in het “aenstaende” veldleger. Anne beloofde aan Jan Berends en Gosse Jans de aankoopbedragen “vromelijck” te betalen uit de eerste penningen van het traktement en de verdiensten die aan hem zouden worden uitgekeerd. Hij zou zelf eerst niets van zijn ontvangsten mogen houden, alles ging naar Jan Berends en Gosse Jans, net zolang tot de paarden waren betaald. In het geval “des Godt Almachtich verhoede” dat Anne echter zijn paarden zou verliezen of dat hij door “onverwachte ongeluck” geen penningen zou gaan verdienen zou Anne de paarden toch betalen zodra het leger uit het veld vertrok en in garnizoen kwam te liggen. Voor de zekerheid van de verkopers stelde Anne de paarden tot onderpand en voorts al zijn huisraad, roerende en onroerende goederen.

Maar of het ooit zover is gekomen dat Anne met zijn paarden ten strijde is getrokken, dat staat te betwijfelen. In september 1641 blijkt Anne dat een behoorlijke schuld heeft bij Freerk Regneris wegens gehaalde waren. Dit zal Freerk Regnerus Hachtingh, burger en zijdekramer in Leeuwarden, zijn geweest. In december 1641 was Anne Tetmans al weer actief in de paardenhandel, hij kocht toen een paard van Jan Harmens in Appelscha voor 23 daalders. De betaling daarvan bleef echter uit en Jan Harmens daagde Anne vervolgens voor het gerecht. De beide paarden waarmee Anne in het Groningse veldleger dienst wilde nemen bleven ook onbetaald want op 17 februari 1642 is er sprake van executiekosten van het gerecht en op 30 mei 1642 werd de acte in het hypotheekboek van Opsterland geregistreerd, een teken dat er iets met de betaling niet in orde was. Of “aenstaende” Groningse veldleger waarin Anne dienst wilde nemen ooit is opgericht is niet duidelijk. Als hij wel als militair heeft gediend dan was dat in elk geval van zeer korte duur. Ergens in mijn achterhoofd leeft een beetje het idee dat de paardenman Anne Tetmans mogelijk manieren zocht om paarden te kunnen aanschaffen en daarvoor het Groningse veldleger als alibi gebruikte. Maar wie ben ik om aan de militaire carrière van Anne te twijfelen.

Wat me opviel bij de aankoop van de beide paarden is dat men kennelijk vroeger zijn eigen “materieel” moest meenemen in het leger.  Het is in deze beide aktes niet duidelijk of Anne Tetmans als ruiter in dienst zou gaan of als soldaat in de aan- en afvoertroepen, waarschijnlijk het laatste, want als huzaar had hij maar één paard nodig. Het risico dat een militair in die tijd liep met zijn “materieel” was kennelijk ook voor eigen rekening.

Na Roelof Jochums (klik hier) die in dienst van de VOC of Westindische Compagnie trad en Jacob Jans smit (klik hier) die soldaat werd is Anne Tetmans mogelijk de derde “gewone” Opsterlander die in de recesboeken van deze Grietenij betreffende de tachtigjarige oorlog wordt vermeld. Voor zover mij bekend was hij tevens de laatste. Roelof Jochums en Jacob Jans verbonden beiden een soort van weddenschap aan het volbrengen van hun militaire diensttijd. Anne Tetmans kwam niet tot het laten opstellen van dergelijke merkwaardige aktes, hij ging ervan uit dat zijn soldij voldoende was om zijn schulden af te betalen. Of was de hoop bij hem de vader van de gedachte?

, , , , , , ,

Een reactie plaatsen