Kerktoren Oud Beets

Het was voor mij de vraag of ik nog over het kerkgebouw van Oud Beets een verhaal wilde schrijven. Immers in Oud Beets, westelijk van Beetsterzwaag gelegen, staat geen kerkgebouw meer. Alleen de contouren van zo’n gebouw vindt je er nog. Met ook nog een klokkenstoel, dat wel.

klokkestoel Oud Beets

klokkestoel Oud Beets

Op die locatie stond van 1889 tot 1984 de zogenaamde adelskerk, een voor de regio ietwat protserig bouwwerk, gebouwd in opdracht van de families Lycklama à Nijeholt en Van Lynden die in Beetsterzwaag woonden. In 1967 vernielde een blikseminslag de torenspits van die adelskerk. Toen was het echter al geen Godshuis meer maar een kunstenaarsatelier.

adelskerk Oud Beets

adelskerk Oud Beets

Voor 1889 stond er op die locatie een kerkgebouw met een wat meer gebruikelijke vorm voor de regio. Dit was een 16e eeuws gebouw gewijd aan Sinte Gertrudis.

oude kerk Oud Beets

oude kerk Oud Beets

Volgens de kroniekschrijver Winsemius in 1622 had dat kerkgebouw eerder een spitse toren, welke (in 1622) al enige jaren geleden van oudheid was omgevallen.

Kortom, in Oud Beets vindt je geen kerkgebouw meer en moet je daar dan nog over schrijven? Het leek me echter goed toch nog  de aandacht te vestigen op een opvallende gebeurtenis uit het jaar 1651 bij dat kerkgebouw. Zoals geschreven was de kerktoren al voor 1622 omgevallen. Men bleef echter niet stil zitten en er werd een nieuwe toren gebouwd. Het had even geduurd maar op 27 april 1649 was het bestek klaar. In 1651 werd de bouw van de toren afgerond. De kerkvoogden hadden waarschijnlijk enige twijfels of de constructie van de nieuwe toren wel in orde was. Een opnieuw omvallende toren, daarop zat men niet te wachten.

Daarom werden op verzoek van Jan Stevens en Gurbe Baukes, de toenmalige kerkvoogden van Beets, een aantal deskundigen naar het kerkgebouw gestuurd om te onderzoeken of de toren volgens bestek was gebouwd. Die deskundigen waren Ruurd Douwes, meester leidekker uit Leeuwarden, Teije Tiedes, meester kistenmaker, Berend Sakes, meester wagenmaker en Lambert Jans, meester timmerman, de laatste drie wonend in Beetsterzwaag. Toen de beoordelaars verslag kwamen doen bij de grietman en secretaris van de grietenij Opsterland werden ze eerst beëdigd. Onder ede verklaarden ze dat de nieuwe toren goed en volgens bestek was gebouwd, maar er waren nog wel een paar opmerkingen. Zo was de “vormte” welke op de muur van de toren zou moeten liggen niet geleverd en was het dakbeschot, “de beschuttinge” waarop de leien waren gespijkerd een kwart duim dikker dan als voorgeschreven in het bestek. Daarmee waren de deskundigen klaar en de bevindingen werden in het recesboek van Opsterland genoteerd. Of de afwijkingen nog tot vervolgacties hebben geleid staat niet vermeld.

De aannemer van de bouw was ook bij de bezichtiging en opmeting aanwezig. Het bleek Dirk Jiskes, meester timmerman uit Amsterdam te zijn. Maar zoals zijn naam al doet vermoeden was hij geen Amsterdammer van geboorte. Bij zijn huwelijk in 1646 in die plaats met Sara Pieters, een dochter van Pieter Claesen, was Dirk Jiskes huistimmerman, 27 jaar oud en afkomstig uit Oudeboorn ofwel Oldeboorn. Hij woonde toen in de Nicolaasstraat en zijn bruid bij de Heiligerwegpoort.

Hoe lang de nieuw gebouwde toren uit 1651 het heeft volgehouden, het is me niet bekend, er zullen in de loop der jaren meerdere reparaties en dergelijke zijn geweest. Hoe dan ook, nu is er niets meer van over. Dat geldt ook min of meer voor Oud Beets, de activiteiten hebben zich verplaatst naar Nij Beets, een dorp gegroeid uit de vervening in dat gebied. Voor de turfgravers was de “snertkerk” in dat nieuwe dorp belangrijker dan het “verre” kerkgebouw in Oud Beets. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat Oud Beets zijn Godshuis heeft verloren.

, , , , ,

Een reactie plaatsen

Roeken en Kraaien

Elk jaar weer, als de weidevogelstand wordt beoordeeld kom je op radio, tv en in de schrijvende pers berichten tegen over de oorzaak van het teruglopen van deze stand. Daarbij worden steevast ook de kraaien en hun soortgenoten vermeld als één van de boosdoeners. Erg geliefd zijn deze vogels over het algemeen dan ook niet. Is dat alleen een trend van de laatste jaren? Nee dat zeker niet.

In het jaar 1634 werd in de grietenij (gemeente) Opsterland de omslag gemaakt voor de kosten van de grietenij. Daarbij verschenen de volmachten van de respectievelijke dorpen in de rechtkamer in Lippenhuizen en aan de hand van de kosten die in het vorige jaar waren gemaakt werd bepaald met welk bedrag de floreenbelasting in dat jaar werd verhoogd. Dat berekende extra bedrag was elk jaar anders. Zo’n grietenijrekening is meestal een dorre opsomming van gemaakte kosten. Maar in 1634 staat er ineens een opdracht aan de inwoners van Opsterland in, tegenwoordig zou je zeggen er werd een artikel van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) toegevoegd. Zo’n bepaling is in dergelijke rekeningen hoogst uitzonderlijk, het zat de heren kennelijk erg hoog.

Kraai

Kraai

Omgezet naar modern Nederlands luidt die bepaling:

“Het zal duidelijk zijn dat het erg profijtelijk is wanneer men roeken en kraaien vernielt en uitroeit, zodat dezen zich niet vermenigvuldigen en zich niet verder voortplanten. Om te voorkomen dat de ingezetenen van de grietenij nog meer schade aan het zaad of anderszins lijden wordt door middel van dit artikel bepaald dat een ieder van de ingezetenen verplicht is om de nesten uit te halen, “aff te smijten” en te vernielen, zodat er geen jonge vogels meer worden uitgebroed. Indien iemand dit nalaat zal hij voor elk nest op zijn land waarin wel jonge vogels worden uitgebroed drie stuivers boete moeten betalen, welke boete ook daadwerkelijk zal worden ingevorderd”.

Voor de liefhebbers van oude taal, de transcriptie van de originele tekst luidt:

“Ende alsoo verstaen wordtt geheel profijtelijcken te sijn datt men den roecken ende craeijen vernijle ende wtroeije ten einden sij hen niett vermeenichvuldigen ende niet meer voort teelen ende alsoo den ingesetenen geen meerder schade aen hen saett ende andersins te doene wordtt midts deesen geresolveertt dat een ijder der ingesetenen respectivelijcken geholden sall sijn den nesten aff te smijten ende deselve te vernijlen soo datt sij geen jongen sullen coemen voortt te brengen bij poena datt een ijder geholden sall sijn van ijder nest op sijn landtt staende daer iongen in voortcoemen te bethalen drie stuivers dewelcke realijcken geexecuteertt sullen worden”.

Drie stuivers was in die tijd veel geld, een arbeider verdiende misschien maar enkele stuivers per week.

Tja, ze zijn niet populair, die zwarte gevleugelde jongens en ze waren dat bijna 400 jaar geleden dus ook al niet. Intussen is er wel het een en ander veranderd. Ook deze vogels zijn tegenwoordig beschermd, hoewel sommigen dat met lede ogen aanzien. De reden voor hun impopulariteit is intussen ook veranderd van “schade aan het gewas” naar “schade betreffende weidevogels”.

, , , , , , , , ,

1 reactie

Lammert de Winter

Nadat Lammert de Winter op 27 september 1807 bij de herberg “Klein Groningen” gevangen was genomen, zie het voorgaande blog, klik hier, werd dat al gauw bekend in de omgeving. Dat bracht Andries Alberts, een 56-jarige schoenmaker uit Lippenhuizen op een idee. Hij had in Hemrik, op de uitgang aan de oostkant van de kerk ook een partij hout liggen. Nadat hij was geïnformeerd ging Andries op 16 september 1807 bij zijn houtbulten kijken en kwam tot de ontdekking dat hij een partij hout met een waarde van 50 gulden miste. Andries wist niet wie het hout had gestolen, maar hij veronderstelde dat dit wel eens gedaan zou kunnen zijn door de schipper die eind september 1807 in Beetsterzwaag gevangen zat. Men had aan Albert verteld dat deze schipper op 12 september diens schip dicht bij die houtbulten had aangemeerd en de volgende dag, zondag 13 september was die schipper alweer vertrokken. Bij de terugvaart zou de schipper hout in z’n schip hebben liggen. Hierover legde Andries op 28 of 29 september een verklaring af bij het gerecht van Opsterland. Hoewel het er niet bij staat zal Andries zijn informatie hebben gekregen van twee dames die bij de Opsterlandse compagnonsvaart woonden. Dat was ongeveer waar nu de ijsbaan is, klik hier.

Die dames werden vervolgens ook gehoord door het gerecht. De eerste was Neeltje Fokkes, 46 jaar oud, huisvrouw van Hendrik Klazes. Zij verklaarde dat op zaterdag 12 september 1807 in de Hemriker vaart schuin tegenover haar huis een schipper zijn schuit had aangemeerd bij de opslag aan de oostkant van de Hemriker kerk waar een partij hout lag. Men confronteerde haar met de gevangen gezette schipper (Lammert de Winter). Volgens Neeltje was dit dezelfde man. Hij had bij haar een kaasje en een half mingelen melk gekocht. Op dat moment kwam buurvrouw Wiepkje Klazes ook langs en ze hadden gedrieën nog wat staan praten. De volgende morgen, toen Neeltje vroeg opstond bleek de schipper te zijn  vertrokken.

Buurvrouw Wiepkje Klazes, 56 jaar oud, huisvrouw van Anne Hendriks werd vervolgens ook gehoord. Ook zij verklaarde dat er recht tegenover haar huis aan de overzijde van de vaart een partij hout lag, waarbij een schip had gelegen. Wiepkje was naar de boerenstreek in Hemrik geweest waar ze appels had gekocht en ze was ’s avonds tussen 5 en 6 uur hij haar buurvrouw Neeltje gekomen die met een schipper stond te praten. Na “vertoning” herkende ook zij schipper Lammert de Winter. Lammert had gezegd dat hij ziek was en Wiepkje had de man een appel gegeven. ’s Avonds om acht uur was ze naar bed gegaan, het schip lag er toen nog. De volgende ochtend echter niet meer. De volgende maandag had ze gehoord dat er hout miste van de bulten waarbij het schip had gelegen.

Ook hierover werd Lammert de Winter gehoord door het gerecht. Hij verklaarde dat hij op zaterdag 12 september 1807 met zijn schip had gelegen in de Wijnjeterper vaart tussen het verlaat van Wijnjeterp en dat van Hemrik bij een draai. Bij een daar staande winkel had hij een kaasje gekocht en wat zout. Die avond was hij tussen acht uur en half negen naar het dichtstbijzijnde beneden liggende verlaat (dus het Hemriker verlaat).

Hemriker verlaat

Hemriker verlaat

Daar was hij ’s avonds om ongeveer 9 uur aangekomen en er blijven liggen tot de volgende middag half drie. Toen had hij daar geschut en was met zijn leeg schip doorgevaren naar Gorredijk en daar ongeveer om kwart over zes aangekomen. Daarna had hij nog in Gorredijk en bij de Klidze aangelegd en daarna twee vuur baggelaar in Luxterhoek geladen, met welke vracht hij naar Harlingen was gevaren.

Lammert de Winter en alle verklaringen werden naar het Hof van Friesland in Leeuwarden gezonden en daar ging men nog eens na of er nog meer vergelijkbare aangiftes waren. Zo kwam men op Fedde Ates, 36 jaar oud, wonende in Terwispel.  Fedde werd op 5 oktober vervolgens gehoord door het gerecht van Opsterland. Hij verklaarde dat hij een partij turf had staan op Luxterhoek. Op zondag 13 september 1807 had Fedde ontdekt dat er ongeveer anderhalf vuur turf miste. De zaterdag daarvoor lag er een schip bij die turf. Fedde begon die schipper te verdenken en hoorde van andere schippers dat deze in de richting van de Oudeweg was afgevaren. Fedde ging hem achterna, richting Oldeboorn. Halverwege tussen Oldeboorn en Nesterzijl haalde hij een schipper in. Hij vroeg of die schipper misschien turf had geladen zonder te betalen. De schipper ontkende dat, hij had wel turf geladen, maar keurig betaald. Die (door Fedde achterhaalde) schipper was niet Lammert de Winter geweest. Maar Lammert had wel een paar dagen na 13 september bij Fedde’s land gelegen met zijn schip en gevraagd of hij ook turf kon kopen.  Fedde moest eerst melken en de schipper zou eerst het hout, dat in zijn schip lag, opstapelen en daarna zouden ze verder praten. Toen Fedde klaar was met melken was de schipper verdwenen, maar Fedde had wel gehoord dat deze naderhand baggelaar van Wietze Jeens had geladen.

Er speelde waarschijnlijk nog meer bij het Hof van Friesland want Fedde verklaarde ook dat hij van de schipper die hij had achterhaald geen horloge en gespen als betaling had ontvangen, maar een verband is me onduidelijk.

Steeds weer komt bij de verklaringen aan de orde dat schipper Lammert de Winter in de buurt was geweest als er hout of baggelaar was gestolen.  Lammert heeft zich voor het Hof van Friesland moeten verantwoorden, op 12-12-1807 kwam er een uitspraak. Dat dossier (6937) heb ik nog niet ingekeken. Dat mogen anderen doen. Mogelijk is hij uit Friesland verbannen, maar dat is aan de hand van de gegevens die ik nu heb niet zeker. Wel is duidelijk dat Lammert in 1807 in Harlingen woonde, maar afkomstig was uit Meppel. De kans is erg groot dat hij dezelfde is als Lambertus Winters, die tussen 1803 en 1811 in de criminele aktes van de Drentse Etstoel (losse stukken 2.1.4.3 zaak 107 25) wordt vermeld. Op 22 oktober 1808 werd in Doezum/Grootegast een zoon Hendrik gedoopt van deze Lambertus Winters en zijn vrouw Anna Oosterveen. Die zoon was geboren in Stroobos aan de Groningse kant van de grens. In 1812 en latere jaren woonde deze Lambertus Winters weer in Meppel, hij was daar toen glazenmaker en verver.

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen