Opsporing verzocht

Het is van alle tijden, criminelen worden opgespoord en vastgezet, maar zo nu en dan gaat er ook weer eens eentje ongewild vandoor. Het gebeurde zelfs in een tijd waarin er nog niet sprake was van proefverloven en dergelijke. In de nacht van 27 op 28 maart 1801 lukte het maar liefst 21 gedetineerden om uit het tuchthuis van Groningen te ontsnappen. Zes van hen werden al gauw weer terug gevonden, maar 15 mannen zagen vooreerst kans om uit handen van justitie te blijven. Daarom werd er een opsporingsbericht opgesteld.

Het bericht dat naar de gemeenteraad van Tietjerksteradeel werd gezonden is bewaard gebleven en had zoals het in de Bataafse periode betaamt de aanhef: “Burgers !”

Na uitleg over het aantal ontsnapten werd het verzoek gedaan “……één of meer dier geaufugeerden in Uwen bedrijve komende, (waarop Gijlieden In naam der Justitie wordt verzogt, alle mogelijke onderzoek te laten doen) dezelve dadelijk te apprehendeeren, en daarvan onverwijld aan mij kennis te geven, waar door Gijlieden de Justitie dienst zult doen.”

Het bericht werd ondertekend door de medeburger A. van der Burg, de procureur generaal van het voormalig gewest Friesland.

Arresteren dus die mannen en het liefst zo snel mogelijk. De namen van de gevluchte gevangenen staan vermeld in het bericht.

ontsnapt uit het tuchthuis in Groningen

Of ze ooit zijn terug gevonden, het is me niet bekend.

bron: Nedergerecht Tietjerksteradeel inv. nr. 1

Advertenties

, , , , ,

1 reactie

Quotisatie Smallingerland in 1801

In Friese archiefbronnen betreffende bewonerslijsten  spelen de quotisatiekohieren uit het jaar 1749 een belangrijke rol. Zo belangrijk dat deze omstreeks het jaar 1980 in druk zijn verschenen in de Fryske Argyfrige “Monumenta Frisica” van de Fryske Akademy. Door die lijsten ontstond er inzicht in de namen, beroepen en welstand van de Friese bevolking in het jaar 1749, uitgewerkt per grietenij en per dorp. Quotisatie betekent: berekening van ieders aandeel naar draagkracht. Het betreft bewonerslijsten inzake op te brengen belastingen.

Er zijn echter meer van dergelijke lijsten gemaakt, ook in latere jaren, waarvan er sommige verloren zijn gegaan en andere nog ergens diep in een archief liggen te verstoffen. Voor (streek-/familie-) geschiedenisonderzoekers kunnen dit belangrijke lijsten zijn, ze geven meer inzicht in de bewoners van een dorp of stad.  Zo ontdekte ik per toeval dat er ook in het jaar 1801 een plan voor quotisatie in de Gemeente Smallingerland is gemaakt.  Dit belastingplan kwam via het Departementaal Bestuur van de Eems binnen bij het Regerend Bewind van de Bataafse republiek. Het Departementaal Bestuur had het plan op 16 december 1800 behandeld naar aanleiding van een besluit van het Uitvoerend Orgaan op 9 december 1800. Op 9 januari 1801 werd het plan door de Tweede kamer ontvangen.

Op 20 / 21 januari 1801 bekrachtigde Tweede Kamer dat belastingplan en het werd doorgestuurd naar de Eerste Kamer. Op 23 januari daaraanvolgend werd het daar behandeld en op 27 januari geapprobeerd, goedgekeurd dus.

Het blijkt dat Smallingerland voor het niet leveren van 17 man ter completering van de Bataafsche Armee in “de poenaliteit” was vervallen voor een bedrag van 892 caroligulden en 10 stuivers. Een dikke boete dus. Het Departementaal Bestuur van de Eems had op 16 december 1800 bepaald naar aanleiding van het besluit van het Uitvoerend Bewind op 9 december daaraan voorafgaand dat er een grondvergadering moest worden opgeroepen in het district om gevolmachtigden te benoemen. Zij moesten vervolgens een plan maken om dat bedrag te kunnen innen.

plan quotisatie Smallingerland in 1801

De Burgers Pieter Tjeerds, Bartele Linses, Feye Oenses, Jan Wopkes, Riemer Rienks Oosterwal, Gerrit Jans Blom, Heinse Bodses, Anne Hoppes, Cornelis Jan Sikkes, Sytse Arents, Feitse Branties, Auwert Annes, Lieuwe Jans, Pieter Jacobs de Vries, Lowys Cornelis, Wyger Lieuwes, Foke Lieuwes en Johannes Balje werden daartoe gecommitteerd.

Deze Burgers maakten lijsten met inwoners van elk dorp en gaven daarin aan welk bedrag er per persoon moest worden opgebracht. Het belastingplan werd op 27 januari 1801 goedgekeurd door de Eerste Kamer. De gemeenteraad van Smallingerland werd gekwalificeerd om de belastingplichtigen twee weken de tijd te geven voor het doen van doleance  (beklag) en daarna het geld te innen, desnoods via parate executie.

Kort samengevat: De Gemeente Smallingerland had rond 1800 17 manschappen te weinig of niet geleverd voor het Bataafse leger. Daardoor moest er een boete van achthonderd twee en negentig en een halve caroligulden worden betaald. Er werd een plan gemaakt om dit bedrag naar draagkracht om te slaan over de inwoners.

Totaal leveren de lijsten de namen op van 679 adressen, onderverdeeld over

Oudega: 98
Nijega: 26
Opeinde: 82
Noorderdrachten: 218
Zuiderdrachten: 169
Kortehemmen: 16
Boornbergum: 70

Er zou worden geïnd naar draagkracht, dus de arme bevolking zal waarschijnlijk in deze lijsten niet zijn vermeld. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier een Plan voor quotisatie dat werd goedgekeurd. Hoe de werkelijke uitvoering is geweest zal waarschijnlijk ergens in de archieven van Smallingerland  zijn vermeld. Daaruit zal dan ook moeten blijken hoeveel bezwaren er zijn ingediend en hoe vaak er parate executie moest worden toegepast.

plan quotisatie Smallingerland in 1801

Van Rottevalle is kennelijk geen lijst gemaakt. Dat heeft waarschijnlijk als oorzaak dat dit dorp in drie verschillende gemeenten was gesitueerd. Samen met Harkema-Opeinde had het een grondvergadering en misschien is het daardoor niet apart vermeld. Mogelijk zijn er toch inwoners van dit dorp in de lijsten vermeld, maar dan onder Noorderdrachten en Opeinde / Nijega.

Hoewel de lijsten in druk zijn verschenen zijn ze niet altijd even goed te ontcijferen. Dit wegens drukfouten en omdat tijdens het drukken de inkt hier en daar is uitgelopen en omdat het juist weergeven van de Friese namen wel eens tot een ietwat vreemde “verhaspeling” daarvan leidde. In de uitwerking heb ik niets veranderd, namen die onjuist zijn afgedrukt heb ik niet verbeterd.

Een afschrift van deze quotisatie is als bijlage bij dit blog gevoegd, klik hier.

, , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Stormschade

Orkanen met verwoestende gevolgen zoals die zich in de vorige maand in de Antillen voordeden kennen we hier nog niet. Af en toe krijgen we hier ook te maken met een zware storm. Dat zo’n storm ook hier een behoorlijke impact kon hebben blijkt wel uit een akte in een recesboek van de grietenij Tietjerksteradeel uit het jaar 1735.

Op 19 januari van dat jaar raasde er zo’n zware storm over ons land. Haring Wiegers Steenstra schrijft in zijn “Geschiedenis van Friesland”: “Den 19 januarij en 4 December des jaar 1735 hadden er zware stormen plaats die de zeewerken grootelijks beschadigden, en te lande groote schade aanrigtten”.  Al op 5 februari van dat jaar liet Folkert Jansz van der Plaets, Boekverkoper aen de Voorstraet (in Harlingen) een boekwerk verschijnen getiteld “Op den Gruwzaemen stormwind in Loumaend des jaers 1735”, geschreven door R. Blok. Veel wijzer voor wat betreft de gevolgen van de storm wordt je niet uit de inhoud van dat boekje. Het is vooral stichtelijke rijmelarij die wijst op “s’Hoogsten Almacht” en oproept deze te erkennen. Ook worden er een aantal andere natuurrampen vermeld. Betreffende de storm in januari 1735 staat onder anderen geschreven:

Daer ryst, daer koomt een felle wind,
En schend niet slechts den boom en wortel,
Maer slaet het alles schier te mortel
Waer zyne woede weerstand vind.
’t Schynt all’ te daevren en te kraeken.
Hy woed op zee en open veld,
En sloopt, met yselyk geweld,
Uw trotse gevels en uw daken.

Dit slopen met ijselijk geweld van gevels en daken was helemaal van toepassing op Gerben Meinerts, die op het Bergumerveen onder Hardegarijp woonde.

Bergumerveen

Op 18 mei 1726 huurde hij daar volgens huurcontract een huis, schuur, met zathe en landen van Petrus Adolphus Valerius Aggema van Clant. Gerben had het huis en de schuur aangenomen op “tauxatie van verslimmeringe en verbeteringe” voor een bedrag van 450 caroliguldens. Dat is de zogenaamde huistaxatie, waarbij een huurder de opstallen tegen een getaxeerd bedrag aannam. Als de huur eindigde werd opnieuw getaxeerd en dan kreeg de huurder geld terug, bij “verbeteringe”, of moest bijbetalen, bij “verslimmeringe”, voor de opstallen.

Maar het huis en de schuur waren in de storm van 19 januari 1735 geheel en al verwoest en “ten eenemaal plat tegens de gront nedergevallen”. Gerben huurde nog wel de zathe en dergelijke maar het huis en de schuur waren verandert in een hoop puin. Grietman Hector Willem van Glinstra van Tietjerksteradeel nam het initiatief om tot een oplossing te komen. Gelet op het ongeluk dat Gerben door “des Heeren onbetwistbaare Almagt” was overkomen en gelet op de “geringheit” van Gerbens vermogen was dat noodzakelijk.

Er werd een overeenkomst gesloten tussen Gerben Meinerts en Johannes Gijsbertus Catsius uit Leeuwarden die als geautoriseerde curator optrad voor de beide minderjarige dochters van de intussen in 1732 in Franeker overleden P.A.V. Aggema van Clant en diens (eerste) echtgenote Beatrix Maria Catsius. Die kinderen waren Sjarlotta Catharina en Electa Catharina van Clant. Vastgelegd werd dat de huistaxatie ad 450 caroliguldens betreffende huis en schuur zou worden beschouwd als zijnde nooit geschied. Er zou dus na afloop van het huurcontract geen nieuwe taxatie inzake verslechtering of verbetering worden gemaakt. Gerben had echter nog wel een aantal schulden bij de Aggema van Clant familie. Zo was de huur van de zathe over het jaar 1733 nog niet volledig betaald. Er restte nog een schuld van 48 caroliguldens en twee stuivers. De volledige huur over het jaar 1734, zijnde 57 caroliguldens stond ook nog open. Over beide jaren mocht Gerben de reëelbelasting van 9 caroliguldens en 10 stuivers per jaar aftrekken, maar hij moest dat bedrag over 1734 nog wel aan de belastinginner afdragen. Tevens moest hij ook aan de procureur F. Ypeij nog proceskosten ad 10 caroliguldens betalen. Kortom, Gerben Meinerts hoefde de effecten van de stormschade aan huis en schuur niet te dragen, maar de achterstallige huur inclusief daarover gevallen proceskosten moest hij wel ophoesten.

Gerben beloofde in de overeenkomst zijn schuld prompt te zullen betalen en in het geval van alsnog wanbetaling zou hij zich laten onderwerpen aan “reale en parate” executie. De schuldeiser wilde echter meer zekerheid dan het woord van Gerben. Daarom verschenen Maaike Sakes, de weduwe van Meinert Gerbens uit Hardegarijp, moeder van Gerben Meinerts samen met Hendrik Alles, huisman in Hardegarijp, zwager van Gerben en getrouwd met diens zuster Trijntje, ook voor het gerecht. Ze stelden zich beiden borg voor de verplichtingen van Gerben. Daartoe moest moeder Maaike ook nog eens afstand doen van haar vrouwelijke privileges inzake borgstelling.

Of Gerben Meinerts aan zijn verplichtingen heeft voldaan is me niet bekend. Wel is het zo dat hij in 1738 in Rijperkerk woonde en dus het Bergumerveen heeft verlaten. Op de zathe zal waarschijnlijk wel een nieuw huis zijn gebouwd, maar ook dat is me verder niet bekend.  Wel is bekend dat er op 4 december 1735 en op 1 januari 1737 al weer zware stormen waren opgestoken met grote schade tot gevolg. Als er een nieuw huis op de oude stee in het Bergumerveen is gebouwd dan is het te hopen dat het toen wel stormbestendig was.

, , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Anne Tetmans, paardenman

Anne Tetmans woonde in het jaar 1630 in Beetsterzwaag en hij was op dat moment getrouwd met Aukje Fokkes. Anne was een paardenman, je vindt hem in de archieven van Opsterland een aantal keren in zaken betreffende paarden. Zo was Gooitsen Jacobs in Oudega (S) in 1636 tien daalders schuldig aan Anne wegens geaccordeerde afsteigering van paarden.  Daaruit blijkt dat Anne ook hengstenhouder was. In 1638 was Anne 20 gulden schuldig aan Jetske Claeses de weduwe van Abe Freerks wegens de koop van een “swart blest moerpeer”, een zwarte merrie met een bles.

In mei 1639 verscheen Anne opnieuw voor het gerecht van Opsterland, deze keer om te verklaren dat hij 19 daalders en 11 stuivers schuldig was aan Jan Berends, die ook in Beetsterzwaag woonde. Dit wegens de koop van een “grau peert”, een grijs paard. Anne was van plan dit paard mee te nemen naar het leger. Anne kon dat paard niet direct betalen, maar hij beloofde het bedrag te overhandigen zodra hij zijn soldij had ontvangen. Er kwam schijnbaar een kink in de kabel want de acte werd doorgekrast. Opvallend is dat naast het bedrag van 19 daalders en 11 stuivers in de kantlijn 30-9 werd geschreven, een normale geldnotatie in guldens en stuivers in die tijd, maar die aantekening is in dit verband niet helemaal duidelijk.

Enige tijd hoor je dan niets van de plannen van Anne Tetmans. Wel werd hem begin 1640 de huur van zijn kamer opgezegd door Aaltje Wisses voor haarzelf en als medeerfgenaam van Wisse Aises.

In april 1641 komt de 30-9 aan geld weer bovendrijven. Want dan laat Anne weer een acte registreren waarin hij opnieuw verklaart schuld te hebben bij Jan Berends en deze keer 30 daalders en 9 stuivers wegens de aankoop van een grijs paard, misschien hetzelfde als in het jaar 1639. Bovendien was hij ook nog eens 40 daalders en 9 stuivers schuldig aan Gosse Jans, ook uit Beetsterzwaag, wegens de koop van een “bruin cold peert”. Beide paarden waren op het moment van de registratie al door Anne “te dancke ontfangen”.

Met die beide paarden wilde Anne in militaire dienst gaan bij de Edele Mogende Heeren der Stad Groningen ende Ommelanden in het “aenstaende” veldleger. Anne beloofde aan Jan Berends en Gosse Jans de aankoopbedragen “vromelijck” te betalen uit de eerste penningen van het traktement en de verdiensten die aan hem zouden worden uitgekeerd. Hij zou zelf eerst niets van zijn ontvangsten mogen houden, alles ging naar Jan Berends en Gosse Jans, net zolang tot de paarden waren betaald. In het geval “des Godt Almachtich verhoede” dat Anne echter zijn paarden zou verliezen of dat hij door “onverwachte ongeluck” geen penningen zou gaan verdienen zou Anne de paarden toch betalen zodra het leger uit het veld vertrok en in garnizoen kwam te liggen. Voor de zekerheid van de verkopers stelde Anne de paarden tot onderpand en voorts al zijn huisraad, roerende en onroerende goederen.

Maar of het ooit zover is gekomen dat Anne met zijn paarden ten strijde is getrokken, dat staat te betwijfelen. In september 1641 blijkt Anne dat een behoorlijke schuld heeft bij Freerk Regneris wegens gehaalde waren. Dit zal Freerk Regnerus Hachtingh, burger en zijdekramer in Leeuwarden, zijn geweest. In december 1641 was Anne Tetmans al weer actief in de paardenhandel, hij kocht toen een paard van Jan Harmens in Appelscha voor 23 daalders. De betaling daarvan bleef echter uit en Jan Harmens daagde Anne vervolgens voor het gerecht. De beide paarden waarmee Anne in het Groningse veldleger dienst wilde nemen bleven ook onbetaald want op 17 februari 1642 is er sprake van executiekosten van het gerecht en op 30 mei 1642 werd de acte in het hypotheekboek van Opsterland geregistreerd, een teken dat er iets met de betaling niet in orde was. Of “aenstaende” Groningse veldleger waarin Anne dienst wilde nemen ooit is opgericht is niet duidelijk. Als hij wel als militair heeft gediend dan was dat in elk geval van zeer korte duur. Ergens in mijn achterhoofd leeft een beetje het idee dat de paardenman Anne Tetmans mogelijk manieren zocht om paarden te kunnen aanschaffen en daarvoor het Groningse veldleger als alibi gebruikte. Maar wie ben ik om aan de militaire carrière van Anne te twijfelen.

Wat me opviel bij de aankoop van de beide paarden is dat men kennelijk vroeger zijn eigen “materieel” moest meenemen in het leger.  Het is in deze beide aktes niet duidelijk of Anne Tetmans als ruiter in dienst zou gaan of als soldaat in de aan- en afvoertroepen, waarschijnlijk het laatste, want als huzaar had hij maar één paard nodig. Het risico dat een militair in die tijd liep met zijn “materieel” was kennelijk ook voor eigen rekening.

Na Roelof Jochums (klik hier) die in dienst van de VOC of Westindische Compagnie trad en Jacob Jans smit (klik hier) die soldaat werd is Anne Tetmans mogelijk de derde “gewone” Opsterlander die in de recesboeken van deze Grietenij betreffende de tachtigjarige oorlog wordt vermeld. Voor zover mij bekend was hij tevens de laatste. Roelof Jochums en Jacob Jans verbonden beiden een soort van weddenschap aan het volbrengen van hun militaire diensttijd. Anne Tetmans kwam niet tot het laten opstellen van dergelijke merkwaardige aktes, hij ging ervan uit dat zijn soldij voldoende was om zijn schulden af te betalen. Of was de hoop bij hem de vader van de gedachte?

, , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Een gokje op het leven (2)

Jacob Jans was in het eerste derde deel van de 17e eeuw smid in Beetsterzwaag. In de nedergerechtarchieven van de grietenij Opsterland wordt hij regelmatig, beter gezegd zeer vaak, vermeld. Samen met zijn echtgenote Foekje Boeles lijkt hij met iedereen, ook met zijn eigen familie en die van zijn echtgenote, overhoop te liggen. Heel vaak laat hij schuldbekentenissen van of aan hem en zijn echtgenote registreren. Ook wordt het echtpaar vermeld bij aan- en verkopen. Bijna altijd wordt hij in die aktes aangeduid als Jacob Jans Smitt, maar hij tekent nooit met een achternaam. In de achtergrond speelt echter de achternaam Nidinga mee. Zijn broer Pieter Jans noemde zich zo en zijn eigen zoon Jan Jacobs gebruikte ook die achternaam. Deze zoon was ook smid en woonde later in Tolbert.

Jacob Jans smitt doet vanaf 1608 zelfstandig zaken samen met echtgenote Foekje Boeles. Hij was toen dus minstens 25 jaar oud en daarom geboren voor het jaar 1583. Het navolgende speelt in het jaar 1625, dus was Jacob in dat jaar minstens 42 jaar oud. Zoals geschreven had hij toen al een druk zakelijk leven achter zich. Tussen mei 1625 en eind 1627 wordt hij niet meer vermeld in de nedergerechtsarchieven van Opsterland in zaken van aan- en verkoop en schuldbekentenissen en dergelijke. Na eind 1627 wordt hij weer als smid in Beetsterzwaag vermeld en doet zaken als vanouds. In 1627 is Jacob Jans ineens soldaat onder hopman Jacques van Oenema. Hij heeft dus het smidsbestaan, naar later blijkt tijdelijk, vaarwel gezegd.

Op 25 mei 1625 liet Jacob een contract registreren dat hij met Alle Metses uit Ureterp had gemaakt. Jacob verkocht daarbij een blauwbonte koe aan Alle voor 25 goudguldens. Alle zou deze koe echter pas moeten betalen als Jacob “een jaer en dach de Heeren Staeten te peerde ofte voett heeft gedient”. Als Jacob binnen dat jaar zou overlijden kreeg Alle Metses de koe gratis. Maar als Jacob dat jaar militaire dienst zou overleven dan moest Alle alsnog de koe betalen. Alle Metses stelde hiervoor al zijn goederen tot onderpand.

ondertekening acte

ondertekening acte

Jacob was er kennelijk van overtuigd dat hij het soldatenleven zou overleven want op 28 augustus 1625 maakte hij nog een dergelijk contract, nu met Lambert Lamberts, brouwer in Beetsterzwaag. Daarin legden ze vast dat Jacob “hem sall begeven in dienst van de Staten Generaal ofte den Prinsse van Oranijen en in den selven dienst continueren totdat jaer en dach verstrecken sijn”. Lambert kocht volgens het contract een rootblaerde (roodbonte) koe en een “neue grepe” (nieuwe schop) samen voor het bedrag van 39 philipsguldens minus een oortje (waard een kwart stuiver). Mocht Jacob dat jaar in militaire dienst niet volhouden of binnen dat jaar komen te overlijden dan was de koe gratis. De greep wordt niet meer genoemd, maar zal inbegrepen zijn. Kon Jacob echter na dat jaar een behoorlijk paspoort of pascedulle van zijn kapitein overleggen, waaruit bleek dat hij zijn dienst had volbracht, dan moest Lambert Lamberts de 39 gulden min een oortje alsnog betalen. Sijbe Jans ondertekende samen met Jacob en Lambert de betreffende akte.

Jacob Jans ging dus in militaire dienst en kwam levend terug, met paspoort. Dat blijkt als hij op 9 november 1627 het contract met Lambert Lamberts laat registreren. Lambert kon het overeengekomen bedrag nog niet betalen en de contractanten spraken af dat de schuld nog bleef staan van 9 november 1627 tot Allerheiligen 1628 en dat Lambert voor dat jaar extra twee philipsguldens rente zou betalen. Van Alle Metses heb ik niet een dergelijke akte gevonden, maar ook hij zal zijn blauwbonte koe hebben moeten betalen.

Opnieuw vraag ik (red.) me af wat iemand, in dit geval Jacob Jans, heeft bezield om midden in de tachtigjarige oorlog op oudere leeftijd zijn bedrijf, vrouw en kind te verlaten en de hort op te gaan. Misschien heeft hij het van Roelof Jochums (klik hier) afgekeken, maar ook hij nam daarmee een gokje op zijn leven. Iedereen kan er natuurlijk voor kiezen om militair te worden, maar om daar nu twee achteraf goed betaalde koeien tegenover te stellen?

, , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Een gokje op het leven (1)

De onderstaande uitgewerkte akte moet wat mij (red.) betreft zeker in de categorie “merkwaardige aktes” worden geplaatst. Het onderstaande gebeurde meer dan 400 jaar geleden en het lijkt alsof Roelof Jochums een gokje op zijn leven nam.

Roelof liet samen met meester Pieter Hendriks uit Beetsterzwaag in het jaar 1608 een akkoord registreren door secretaris Teije Sakes van Opsterland. De inhoud hiervan was dat meester Pieter een aantal zaken kocht van Roelof Jochums. Het betrof een broek, een pak kleren, 24 stuivers een rosenobel. Dit laatste is een geldstuk. De betaling van de goederen werd echter uitgesteld. Eerst zou Roelof Jochums een reis maken naar West- of Oostindië. Pas als Roelof hiervan “levendich” terugkeerde zou meester Pieter de goederen betalen. Voor de broek zou hij dan 14 caroliguldens betalen en voor het pak kleren 35 caroliguldens.

rosenobel

rosenobel

De geldwaarde van een Rosenobel was in die tijd 8 caroliguldens en 8 stuivers. Maar als Roelof levend terugkwam van zijn reis zou meester Pieter het dubbele van dat bedrag betalen, namelijk 16 caroliguldens en 16 stuiver. Hetzelfde zou gedaan worden met de 24 stuivers, Roelof kreeg daarvoor bij terugkomst 48 stuivers terug.

Bij dat alles was de bepalende voorwaarde dat Roelof die verre reis moest overleven. Dat was in die tijd een grote onzekerheid. Van de mensen die op reis gingen met de VOC kwam soms slechts de helft terug. De andere helft overleed onderweg op zee of in de verre oorden.

In het contract werd ook bepaald dat indien Roelof niet levend terug zou keren van zijn reis meester Pieter Hendriks alle geld en goederen “om niet” kreeg, dus er niet voor hoefde te betalen.

Je vraagt je af wat die mensen bezielde, het lijkt een soort van fatalisme. Als het niet goed gaat heb je er toch niets aan en als het wel goed gaat dan levert het in elk geval nog iets op. Meester Pieter Hendriks was overigens niet de eerste de beste, hij was procureur-postulant bij het Nedergerecht van Opsterland. Niet iemand dus van wie je onbezonnen daden verwacht.

Het bovenstaande was overigens niet het enige gokje dat Roelof Jochums nam. Op dezelfde dag als hij het merkwaardige koopcontract met meester Pieter sloot deed hij dat nog een keer. Nu met Sijmon Wijbrans. Deze kocht twee korven bijen en moest daarvoor, als Roelof levend terugkwam, elf caroliguldens betalen. Kwam Roelof niet levend terug dan waren de bijen met korven gratis.

Hoe het is afgelopen?

Onder de akte gemaakt door meester Pieter en Roelof is later genoteerd: “Deze acte is bij consent van de comparanten gecasseerd op 18 april anno 1617”. Roelof is dus levend terug gekomen en Pieter heeft daarna de goederen betaald, pas in het jaar 1617. Het pak kleren zal intussen, na acht en een half jaar, wel een beetje zijn uitgelopen. De overeenkomst met Simon Wiebrands is niet voorzien van een dergelijke aantekening, maar deze zal de beurs ook moeten hebben trekken. Als hij nog leefde natuurlijk. Want je kunt wel een gokje op iemands leven wagen, maar zelf kan je ook iets gebeuren, ook al trek je niet de wijde wereld in en blijf je in je eigen dorp.

Er was nog een tweede inwoner in Opsterland die dergelijke merkwaardige aktes liet registreren, daar kom ik nog op terug.

, , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Eebele Alles en zijn echtgenotes

Eind 16e, begin 17e eeuw woonde Eebele Alles in Lippenhuizen, waar hij voor mei 1619 overleed. Van hem stamt een groot nageslacht af. Het bleek echter moeilijk een moeder van zijn kinderen aan te wijzen. Daarbij helpen de Opsterlandse secretarissen ook niet, aangezien ze in die tijd in staat zijn zodanig beroerd te schrijven dat je de neiging krijgt tijdens het doorlezen van aktes maar gauw wat anders te gaan doen. Diverse serieuze onderzoekers hebben zich al met de echtgenotes van Eebele Alles bezig gehouden, Jonkman, Van der Sluis, Bekkema, Post, Van Heijningen, Coehoorn. Er worden namen genoemd van de echtgenotes maar ook worden bijna evenzoveel vraagtekens geplaatst. Op internet blijkt dat sommigen de naam / namen (vaak zonder bronvermelding) hebben overgenomen en onterecht de twijfels hebben uitgegumd.

Nou vooruit, laat ik (red.) dan ook nog maar een duit in het zakje doen, die mogelijk wat meer licht doet schijnen op de namen van de echtgenotes van Eebele Alles. In een recesboek van Opsterland staan namelijk twee achtereenvolgende aktes op 30 april 1619 die meer duidelijkheid geven.

In de eerste akte worden de erfgenamen van Eeble Alles [geen namen genoemd] opgevoerd als requiranten (= verzoekers)  en Sijtse Haies, Haije (Hartmans), Fedde (Hartmans), Teije (Hartmans) en Sijbe Hartmans zonen en Mentie Cornelis als gerequireerden. De requiranten vragen aan het gerecht van Opsterland om uit de gerequireerden een “curateur” te benoemen over het weeskind van Eeble Alles echtelijk [getogen] bij Eets Hartmansdochter, het weeskind is genaamd Hartman Eebles. Fedde Hartmans, één van de gerequireerden, protesteert tegen een mogelijke benoeming omdat hij zich niet bekwaam acht, hij kan namelijk niet lezen en schrijven. Het gerecht van Opsterland besluit om Mintse Cornelis tot curator te benoemen over Hartman Eebles en ordineert Sijtse Haies om, als Mintse dat verzoekt, daarbij te assisteren.

In de tweede akte verschijnt Auck Foppedochter voor het gerecht van Opsterland en ze wordt daarbij geassisteerd door Sijbrand Sijbes. Auck Foppes is requirante en de gerequireerden zijn Wijtse Foppes, Eble Sijtses, Alle Aettes, Intie (Jelles) en Gele Jelles zonen, Walter Ubles en Alle Sjoerds. Auck Foppes verzoekt om uit de gerequireerden twee voormonden, hen die het gerecht het meest bekwaam acht, te benoemen over het jongste weeskind van de overleden Eeble Alles bij haar, Auck Foppes. Dat jongste weeskind is Otte Eebles. Het gerecht benoemt Alle Aettes en Intie Jelles tot voormonden over Otte en zij beloven bij handtastinge hun taak goed uit te voeren.

Eebele Alles echtgenotes

Eebele Alles echtgenotes

Is hiermee het complete raadsel van de echtgenotes van Eeble Alles opgelost? Volgens de hierboven genoemde onderzoekers zijn er nog meer kinderen. Die worden in deze beide autorisatieaktes niet vermeld, zijn dus al meerderjarig of getrouwd, dus wie hun moeder is wordt aan de hand van deze beide aktes niet duidelijk. Wel is nu duidelijk geworden dat Hartman (later Hedman) Eebles een zoon is van Eeble Alles en diens eerste vrouw Eets Hartmans. De zoon Otte Eebles is geboren uit het tweede huwelijk van Eeble Alles met Auck Foppes. Gelet op het beroerde schrift van secretaris Teije Sakes kun je haar naam ook nog lezen als Anck Foppes, maar in de andere akte met een andere schrijver wordt ze duidelijk Auck Foppes genoemd.

Omdat curatoren of voormonden bijna altijd werden benoemd uit familieleden kunnen bovendien de namen van de gerequireerden uit beide aktes helpen bij het zoeken naar voorgeslacht. Bijvoorbeeld Intie Jelles was getrouwd met Sijtske Foppes, wellicht een zuster van Auck Foppes. Intie Jelles overleed voor 6 maart 1621, hij liet 4 minderjarige kinderen na bij Sytske Foppes. Giel Jelles en Sjoerd Jelles werden tot voormonden benoemd over die kinderen.

Verder voerden “Geele en Intie Jelles sonen” beiden uit naam van hun echtgenote samen met Auck Otte weduwe in juni 1600 een proces tegen Foppe Feijtses. Een maand later kwam de uitspraak waarbij de echtgenotes van Geele en Intie ook aanwezig waren “in de questie die sij met Foppe Feytses, haren vader” hebben nopens de goederen van hun moeder. Er was een baar gemaakt en Geele en Intie beloofden die afspraak na te komen als Foppe dat ook zou doen. Deed Foppe dat niet dan waren ze vrij. Pas in januari 1601 kwam het tot een definitieve oplossing. Volgens Van Heijningen was Geele Jelles getrouwd met Ancke Foppes, twee broers getrouwd met twee zusters dus. Met Auck Otte weduwe zal misschien Auck Foppes zijn bedoeld die dan in 1600 weduwe van een zekere Otte was. Dan is zij misschien dezelfde Auck Foppes die was getrouwd met Eebele Alles, diens tweede vrouw. Hun zoon Otte Eebeles is dan mogelijk vernoemd naar de eerste man van Auck Foppes.

Tenslotte compareerden ook in juni 1600 voor het gerecht van Opsterland Fokke Jurjens ter ene en Sijtie Haijes en Eeble Feddes als voormonden over de weeskinderen van Hartman Haijes en Auck (misschien Feddes) ter anderen zijde inzake een schuld van 150 philipsguldens. Het eerste jaar was renteloos, maar verder zou de hoogte van de rente worden bepaald door Eeble Alles en Aette Feddes.

Zo zie je maar weer, alle beetjes kunnen helpen.

, , , , , , , ,

Een reactie plaatsen