Aiso van Boelens

Voor me ligt opnieuw een kopie van een oude akte uit het jaar 1789, die handelt over de confiscatie van de goederen van Aiso van Boelens. Zo af en toe komt ook deze akte weer eens voor het voetlicht. Jammer om er niets mee te doen, dus vandaar.

Aiso van Boelens werd op 14 oktober 1760 in Hardegarijp geboren als zoon van Boelardus Augustinus van Boelens en Antje Melles (Mellinga). Zijn vader, die uit een vooraanstaande familie kwam, zoon van de Raadsheer Ayso van Boelens en diens eerste echtgenote Rinske Lycklema à Nijeholt, moet als een blok voor Aiso’s moeder Antje Melles zijn gevallen. Zij was een dochter van de schoenlapper Melle Melles uit Hardegarijp, die in het jaar 1749 nauwelijks de kost kon verdienen. Er was een groot standsverschil tussen beide families. Of Boelardus Augustinus daarover ruzie heeft gehad in zijn familie, dat is me niet bekend. Wel is het zo dat hij pas op 5 april 1771 officieel met zijn Antje trouwde. Ze hadden toen al vijf kinderen, die bij dat huwelijk werden gewettigd. De kinderen werden nog een paar jaar later gedoopt in Hardegarijp.

De jonge Aiso Boelens kende dus de rijke kant van Friesland via zijn vaders familie en de arme kant via zijn moeders familie. Hij kreeg wel de gelegenheid te studeren (rechtenstudie).  Hij werd Volmacht ten Landdage als eigenerfde voor de grietenij Ooststellingwerf. In augustus / september 1787 was hij betrokken bij de revolutie tegen de bestaande Friese regering en de Prins van Oranje, hij was patriot en actief in de tegenregering te Franeker. Of zijn achtergrond (arm-rijk) daarbij heeft meegespeeld? Wie weet. Echter, Pruisische interventietroepen verjaagden de patriotten en Aiso kwam in de problemen.

Op 16 oktober 1787 namen de Staten van Friesland het volgende besluit dat een paar dagen later in de krant werd gepubliceerd:

“De STAATEN VAN VRIESLANDT, Allen den geenen, die deezen zullen zien ofte hooren leezen, SALUT; Doen te weeten:

Alzo aan Ons, zoo uit ingekomene bewyzen als anderszins genoegzaam is gebleken, dat Horatius Allard Hiddema van Knijff (Ferwerd), Sicco Douwe van Aylva (Holwerd), Coert Lambertus van Beyma (Ternaard), Ernst Frans van Aylva (Weidum), Arend Julianus Carel de Bere (Koudum), Jan Roorda, Ayso Boelens, Broer Feenstra, Harmanus Zaggheus Attema, Willem Hogenbrug, Pieter Breugeman (Dokkum) en Reinder van Kleffens, geweezen Leeden van Onze Staatsvergadering, zig in de onlangs plaats gehad hebbende oproerige bewegingen binnen deeze Provincie hebben gemengd, niet alleen, maar ook daar van de Hoofdbeleyders zijn geweest, en met vertreeding der bezworene Constitutie en ’s Lands fundamenteele wetten, zig op eene hooggaande wyze tegen Ons en tegens de Hoogheid des Lands hebben vergreepen”.

In het vervolg van deze publicatie werd gesteld dat het oogmerk van genoemde heren was mislukt en dat zij met verlating van hun posten gevlucht waren en zich daarmee aan de rechtsgang hadden onttrokken. Wegens hun verregaand wangedrag  werden de heren verklaard te zijn vervallen van al hun hoge posten. Verder werden ze inhabel (onbekwaam) verklaard om ooit weer op een hoge post verkozen te kunnen worden. Ook werden alle stemcedullen (stembiljetten) waarop ooit deze personen waren vermeld ongeldig verklaard. Daarnaast werden ze uit hun stemrecht ontzet. Als de genoemde personen echter binnen drie maanden voor de rechter zouden verschijnen en hun onschuld konden bewijzen, dan zou dit besluit worden vernietigd. Bron: Leeuwarder courant 20 oktober 1787.

Aiso werd opgeroepen om zich op 15 januari 1788 te melden bij de rechtbank in Leeuwarden. De boedel van Aiso werd in bewaring genomen en er werd een sequester, Dr. Cornelis Schulz, aangesteld. Vervolgens besloot het Hof van Friesland op 3 februari 1788 om Jan Poppe Andrae van Haren tot commissaris te benoemen. Van Haren  moest een curator over de boedel gaan zoeken. Bovendien werd besloten dat als Aiso zich niet binnen een jaar bij het Hof meldde zijn bezittingen  zouden worden geconfisqueerd en aan “den Lande” vervallen. Aiso had die rechtsgang echter niet afgewacht en was gevlucht, eerst naar Ameland en daarna naar de omgeving van Bremen. Ook Eise Eisinga, de man van het Planetarium, vluchtte naar Duitsland. Een dik jaar later, op 30 maart 1789, kreeg de procedure tegen Aiso een vervolg. Hij had zich niet gemeld en zijn goederen waren geconfisqueerd. Van Haren was van plan op die datum een curator te benoemen die de goederen te gelde moest brengen. Belanghebbenden konden zich melden in de vertrekkamer van de Kanselerij in Leeuwarden.

Op 2 april 1789 verhuurde de sequester  Schultz het huis te Makkinga waar Aiso in had gewoond alvast voor de duur van een jaar. Op 9 juli 1789 werden vervolgens de bezittingen van Aiso van Boelens geveild ten huize van Johannes Schurer te Makkinga. In totaal werden er zestien percelen geveild, waaronder “een heerlyke ZATHE en LANDEN, met de Nieuwgebouwde Heeren Huizinge en het jong aangelegd Appelhof te Makkinga”. Verder nog bouwland, weiland, hooiland, een paar bosjes, een hornleger met huis en schuur en de “geregte helfte van een deftige HUIZINGE en HOVINGE” in Haule. Daarin zie je de erfenis van de Boelens-familie en misschien nog wel meer die van de Lycklama à Nijeholt familie terug.

In dezelfde krant waarin de verkoping werd aangekondigd staan tevens advertenties betreffende de verkoop van het geconfisqueerde bezit van Hiddema van Knijff, Van Beyma, De Beere,  Breugeman en de beide heren Van Aylva.

Intussen woonde Aiso in Leesum (bij Bremen) en hij trouwde in juli 1791 met Elise Pratje, een dochter van Johann Heinrich Pratje, superintendent-generaal en consistorieraad in het hertogdom Bremen, en diens echtgenote Sophia Juliana Platen. In Leesum werden twee zoons geboren.

Intussen was de politieke toestand veranderd, Prins Willem zat in Engeland en de Bataafse republiek was uitgeroepen op 19 januari 1795. Op 23 juni 1795 zou Aiso worden benoemd in de Friese regering als representant van Ooststellingwerf. Hij was echter niet op tijd terug uit Saint Omer, waar toen veel van de gevluchte patriotten woonden, waardoor hij de eed niet kon afleggen. Op 10 augustus van dat jaar werd hij wel als representant genoemd. Op 30 maart 1799 werd hij zelfs geïnstalleerd als lid van het Departementaal Bestuur van de Eems, vertegenwoordigende ring IV (Drachten). De man die in 1787 “inhabel” was verklaard kreeg nu één van de hoogste functies in de Bataafse republiek.

Aiso probeerde schadevergoeding te krijgen voor de periode dat hij in ballingschap verkeerde maar zag daarvan toch weer af. Hij liet een advertentie in de Leeuwarder Courant plaatsen:

Aan de COMMISSIE uit het Provinciael Bestuur van Friesland, ter reegeling der SCHAADEVERGOEDING aan Particulieren , door de gevolgen der Omwenteling in 1787 veroorzaakt.

BURGERS!

IK heb in den gepasseerden Jaare aan eene Commissie uit de Repraesentanten opgegeven, een gedeelte der Schadens, welke my door de gevolgen der omwenteling in 1787, in myn ruim zeeven Jaarige Ballingschap zyn overgekomen: Ik hoopte toen dat dit gedeelte myner vordering op eene wyze, overeenkomstig myne begrippen van regt, voldaan zoude worden; dan deze hoop is thans verdweenen, dy weg dien men thans inslaat loopt tegens deze myne begrippen in, dus moet ik, de inspraak van geweeten volgende, van myne vordering afzien, my die geledene Schadens geduldig getroosten, en Ulieden dus verzoeken van myn Naam op de Lyst der op deeze manier Schadevergoeding begeerende uit te schrabben. Ik ben, &c.

BAKKEVEEN den 17 Juny 1797

BURGERS! Ulieder Medeburger, A. van BOELENS.

Hij zal wel op een andere manier zijn gram hebben gehaald, maar dat is me verder niet bekend. In Leeuwarden werd nog een derde kind, een dochter, geboren. Aiso heeft niet meer de overgang van de Bataafse republiek naar het Bataafse gemenebest meegemaakt. Hij overleed begin januari 1801 in Leeuwarden, na volgens zijn weduwe een “smertvol en pynlyk Leeven” en ”na zints meer dan een half jaar met byna ondraagelyke pynen geworsteld te hebben”.

overlijdensadvertentie Aiso van Boelens

overlijdensadvertentie Aiso van Boelens

Zijn weduwe hertrouwde bijna drie jaar later met Johannes Lambertus Huber. Huber was na het mislukken van de opstand der patriotten ook gevlucht en woonde een tijdlang in St. Omer in de kop van Frankrijk, waar hij secretaris was van de hierboven al genoemde patriot Coert Lambertus van Beyma. Na 1795 bekleedde Huber weer allerlei hoge functies in de Bataafse republiek. Na de Franse tijd werd hij in 1816 benoemd tot Grietman van Het Bildt.

About these ads

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

%d bloggers like this: