Op de rol (5)

Joeke  Feitzes, een boer wonende op het Gatehiem onder het behoor van Oudega (Smallingerland) liep maar eens naar Bartel Melles toe. Joeke wilde een praatje aanknopen en een pijp aansteken. Bartel zat of stond boven op een hooiwagen in de Bolderen, de mieden (hooilanden) onder Garijp. Maar Bartel was weinig spraakzaam en was “zeer gealtereerd” (erg ontdaan). Joeke zag dat omdat “het kin hem (Bartel) wacker beevde”. Dat soort uitdrukkingen noemen we Bokwerders, dat is een letterlijke vertaling van het Fries naar het Nederlands, waardoor het begrip een volkomen irrelevante betekenis krijgt in het Nederlands. Bedoeld is dat de kin van Bartel behoorlijk beefde. Met zo’n bevend kin kun je moeilijk een pijp opsteken.

Er was ook wel het één en ander aan voorafgegaan. Joeke  Feitzes, ongeveer 41 of 42 jaar oud, was samen met zijn echtgenote Janke Tjeerds, 36 jaar oud, vlak na Sint Jacob 1738 (25 juli) van zijn woning, het Gatehiem, op een boerenwagen naar de mieden onder Garijp / Oudega gereden om hun laatste voer hooi op te halen. Omstreeks het middaguur kwamen ze daar aan bij de mieden van Bartel Melles, boer uit Garijp. Bartel had nog zeventien raken hooi op het land staan. In die mieden stond nog een boerenwagen. Bij die wagen lag een vrouw op de grond, dat zagen Joeke en Janke aan een arm bij het achterste wiel van die wagen. Toen ze dichterbij kwamen zagen ze ook dat daar een man op de knieën zat, “hebbende de broek affgestroken, hangende het hemd over dezelve”. Korte tijd later ging de man liggen en aan alles konden Joeke en zijn vrouw zien wat daar gebeurde, nadere toelichting is niet nodig. Joeke en Janke kwamen steeds dichterbij. Ze zagen dat het Bartel Melles en zijn dienstmeid Ymkje  Feitzes waren die daar actief waren. Bartel kreeg de naderende wagen ook in de kijker en hij stond op “hebbende zijn beide handen aan de broek” terwijl zijn hemd opwaaide, “scheurende geweldigh ’t hembd in de broek te bestoppen”. Bartel rende om de wagen heen, maar kon zich nergens verstoppen, het was midden in het open veld. Bartel bond toen de broek maar op, staande voor zijn wagen, waarna hij op de wagen klom. Daar ging Joeke ook maar eens naar toe voor een praatje en om een pijpje te roken. Zoals geschreven, veel kwam er niet uit Bartel, hij was “zeer gealtereert” en zijn kin “beevde wacker”.

de Bolderen

de Bolderen

Joeke ging daarom maar eens bij zijn schapen kijken en Janke zocht Ymkje op. Ymkje lag intussen te slapen in een hooiopper. Janke vroeg aan Ymkje of haar bazin (de vrouw van Bartel) al bevallen was. Ymkje antwoordde dat deze “verleden saterdagh drie weken geleden” in de kraam was gekomen. Janke Tjeerds en Ymkje Feitzes waren familie, Ymkje was een dochter van een volle neef van Janke.

Het nieuwtje zal wel als een lopend vuurtje door Garijp en Oudega zijn gegaan. Het duurde echter nog tot begin maart 1739 voordat het gerecht van Tietjerksteradeel zich ermee ging bemoeien. Joeke en Janke werden als getuigen gehoord. Ze verklaarden wat hierboven is uitgewerkt. Bartel Melles werd ook gehoord en hij bekende alles, ook dat zijn wettige echtgenote nog in leven was. Hij kwam op de rol van het Hof van Friesland en op 11 april 1739 werd het vonnis uitgesproken. Bartel werd veroordeeld voor het plegen van overspel. Hij werd op het schavot “wel strengelijk gegeselt” en hij werd voor de tijd van drie jaar verbannen uit Friesland, hij moest Leeuwarden nog diezelfde dag verlaten en Friesland binnen drie dagen. Met een pijnlijke rug van de geseling is Bartel naar huis gegaan in Garijp. De boodschap thuis was niet vrolijk, hij moest binnen drie dagen Garijp verlaten. Daarmee kwam een eind aan het boerenbedrijf van Bartel Melles. Na een boelgoed werd het spul verlaten.

Bartel duikt later weer op in Visvliet, net over de Friese grens, de plaats waar veel bannelingen terecht kwamen. Bartels echtgenote Ybeltje Alles ging mee, ze kon ook niet veel anders. In Visvliet werden drie kinderen gedoopt, in Garijp waren eerder (voor 1739) al vier kinderen gedoopt. Op 17 februari 1753 werd opnieuw de boedelinventaris van Bartel en Ybeltje opgemaakt (gerecht Westerkwartier inv. nr 735-51). Ybeltje woonde in de Westerhorne (Grijpskerk). Zelf heb ik die akte niet ingezien, ‘k hoop dat ooit iemand anders dat gaan doen, ‘k houd me aanbevolen, zodat duidelijk wordt hoe goed of hoe slecht Bartel Melles uiteindelijk terecht is gekomen. Bartel was in 1752 of 1753 overleden en Ybeltje hertrouwde op 11 maart 1753 in Lutjegast met Wieger Egberts, toen afkomstig uit Noordhorn. Van de zeven kinderen van Bartel en Ybeltje is er voor zover ik heb kunnen nagaan slecht één volwassen geworden. Diens nageslacht vond ik terug in Munnekezijl, ook aan de Fries-Groningse  grens, nu aan de Friese kant. Ze kwamen redelijk goed terecht.

Hoe groot het berouw van Bartel was, dat staat nergens vermeld. Er staat ook nergens vermeld dat hij het niet heeft gehad. Dat er kinderen in Visvliet werden gedoopt licht misschien wel een tipje van de sluier op. Als je in onmin leefde met de predikant of kerkeraad kwam dat er meestal niet van. Duidelijk is dat overspel vroeger een zaak was van de strafrechter, het Hof had het er soms maar druk mee.

, , , , , , , , , , , , , , , , ,

1 reactie

Op de rol (4)

Ongecontroleerd met wapens buiten lopen, het is van alle tijden en zoals we ook tegenwoordig kunnen zien, het is gevaarlijk in de handen van een gestoorde.

Zo iemand was Jacob Feddes uit Opeinde in Smallingerland. Hij moest in Leeuwarden voor de rechter verschijnen. In de sententie van het Hof van Friesland worden de misdragingen van Jacob opgesomd.

Jacob had langere tijd met pistolen rondgelopen in de grietenij (gemeente) Smallingerland. Hij had zich voorgenomen, liet dat ook blijken, om “niet te gedogen het vergraven van eenich veen buijten Boornbergum”.  Jacob was dus in z’n eentje op kruistocht tegen de turfgraverij ten westen van Boornbergum. Of dat ook tot bedreigingen en dergelijke geleid heeft, dat vermeldt de sententie niet. Het zal ik elk geval bij de betrokkenen  geen goed gevoel hebben opgeleverd.

Jacob Feddes was een oom van Fetje Jelles, hij was een broer van Fetje’s moeder. In de nacht van 15 op 16 januari 1670 was Jacob aangekomen bij het huis van Gjalt Tjibbes. Deze woonde “in de Bosch”, hiermee wordt vermoedelijk de Vleerbos bedoeld, dat is ten westen van De Veenhoop.

ligging Vleerbos

ligging Vleerbos

Fetje lag in bed te slapen. Oom Jacob klom ook in dat bed en wilde bij Fetje onder de deken liggen. Fetje vluchtte daarop, alleen nog gekleed in een nachthemd. In de sententie staat “in het hemde haer naekt van het bedde heeft begeven” en “also naekt uijt den huijse is gevlucht”.  Jacob ging achter haar aan, ook alleen gekleed in een hemdrok. Fetje vluchtte naar het huis van de buren waar Anke, de weduwe van Tjibbe Tjibbes woonde. Jacob kreeg Fetje echter eerder te pakken en trok haar mee terug naar het huis van Gjalt Tjibbes. Buurvrouw Anke had het schreeuwen van Fetje gelukkig wel gehoord en beet Jacob toe:  “ Wat wilstu du schellem”. Daarop liet Jacob zijn oomzegger los en Fetje sliep die nacht bij Anke in huis.

Ook had Jacob Feddes meermalen bij nacht en ontij het huis van de molenaar Arend Hendriks opengebroken. Daar stak hij het open vuur (de kachel) aan om zich op te warmen. Een open vuur in de nacht, daar zat niemand op te wachten, zeker Arend Hendriks niet. Met behulp van de buren had men Jacob weer buiten huis gezet. Er moest altijd veel geweld aan te pas komen om hem eruit te krijgen.

Bij Arend Hendriks was een zekere Aagje Pieters te gast. Aagje sliep daar ook. Weer beklom Jacob midden in de nacht de bedstee en hij probeerde “bij haer (Aagje) te slapen off sijn wille met haer te doen”. Aagje was minder snel als Fetje en kon zo gauw niet vluchten. Arend Hendriks moest er hier ook weer aan te pas komen om Jacob uit de bedstee en uit huis te krijgen. Jacob had het zo voorzien op Aagje dat hij haar bleef achtervolgen, tot op de Linde in Groningerland (Marum), waar Aagje destijds woonde.

De rechters wisten genoeg van Jacob Feddes. Het waren allemaal daden van “seer quaden gevolge”  en er moest een straf volgen. Jacob Feddes werd op 21 mei 1670 veroordeeld. Hij werd eerst op het schavot streng gegeseld en daarna moest hij tien jaar werken in het Landschaps Tuchthuis.

Jacob ontsnapte echter uit het tuchthuis maar werd enige tijd later weer gearresteerd. Op 20 mei 1671 werd hij opnieuw gegeseld en kreeg vanaf dat moment weer tien jaar tuchthuis als straf.

, , , , , , , , , , , , , ,

Geef een reactie

Op de rol (3)

Elektriciteit …., als we daar zonder moesten leven ….. Een schakelaar omzetten en we baden in het licht. De cv-ketel houdt er zonder stroom ook meteen mee op. Parallel noodsystemen die we kunnen gebruiken als de stroom uitvalt kennen we eigenlijk niet meer, onze woningen zijn er meestal ook niet meer voor ingericht. Als de stoom uitvalt tasten we direct zwaar in het donker.

Vroeger maakte men licht op een andere manier. Uit de bijbel weten we dat men toen al met olielampen werkte, het zal wel plantaardige olie zijn geweest. Verder werden vroeger vaak kaarsen gebruikt. Veel licht leverde dat allemaal niet op, wel genoeg om niet in je eigen woning te verdwalen. In het schemerduister van kaarslicht vond in Duurswoude, nu een dorpsdeel van Wijnjewoude, een moord plaats.

N.H. kerk Duurswoude

N.H. kerk Duurswoude

Het was in de nacht van 29 op 30 december 1640, tussen Kerst en Oud/Nieuw. Hoe laat het was, dat staat niet precies in de criminele sententie waarin de zaak wordt beschreven, zeker is dat het al wat later in de avond was. In het herberg van Anne Liekeles in Duurswoude was die avond een select gezelschap aanwezig. Dat bestond uit Hermen Freerks Drenth, Hantke Siegers, Hielke Luitjens, Hendrik Egberts, Eeuwe Hendriks, de waardin Antke Kornelis als echtgenote van Anne Liekeles en hun dochter Engel Annes. Ook aanwezig was een zekere Engle speelman. Verderop in sententie blijkt dat er ook nog een broer van Antke, namelijk Jan Cornelis, wonende in Woudsend, in de herberg aanwezig was. Deze Jan lag op een bed in de kamer. Dat zegt direct iets over de herberg. Er was geen speciale gelagkamer, men gebruikte gewoon een kamer van de woning, het bed in die kamer bleef normaal in gebruik. Uit het geheel blijkt dat er herberg werd gehouden in de voorkamer van Anne Liekeles.

Op een bepaald moment beschuldigde Engle, de speelman, Hermen Freerks ervan dat deze een stuk uit de viool van Engle had geslagen. Hermen ontkende en weigerde een vergoeding aan Engle te betalen. Het draaide uit op een lijfelijk gevecht, waarbij Engle Hermen zo ongeveer bij het open vuur op de vloer had gesmeten. Hermen werd door Antke en haar dochter Engel weer op de been geholpen en hij werd op een bank neergezet. Later broeide de ruzie weer op, maar opnieuw hadden Antke en Engel de zaak gesust. Daarna was het wel een uur lang rustig gebleven, de vrede leek getekend. Er  werd “ een weinig brandewijn” gedronken.

Weer sloeg de vlam in de pijp, de ruzie laaide opnieuw op. Uiteindelijk waren Engle speelman en Hermen Freerks in de buurt van het open vuur opnieuw gaan vechten. Nu werden er messen getrokken. Tijdens dat gevecht zou Engle door Hermen met een mes in de linkerborst zijn gestoken. Direct daarna was Engle de kamer uitgelopen en in de gang vlak bij de kamerdeur op de vloer gevallen. Intussen hadden Antke en Engel hun man en vader geroepen. Anne Liekeles zat in de achterkamer te sluimeren. Hij scharrelde na het geroep van vrouw en dochter door de donkere gang naar de voorkamer. Daar stuitte hij in de gang op iemand die op de vloer lag. Anne vroeg nog wie daar lag, maar kreeg geen antwoord. Toen hij de deur van de voorkamer wilde binnengaan lukte dat niet. Dochter Engel hield aan de binnenkant de deur tegen met alle kracht die ze had. Engel dacht dat Engle speelman weer naar binnen wilde. Toen hoorde ze haar vaders stem. Anne zei: ”doe open” en ook dat er een man in de gang lag. Terwijl Anne nog in de deuropening stond scharrelde Hermen Freeks langs hem heen de kamer uit. Anne vroeg nog: “Waar wuijstu henen?”. Hermen Freerks had niets meer gezegd en was zwijgend naar buiten gelopen.

Anne had een kaars opgehaald en daarmee ontdekt dat Engle speelman in de gang lag. Die werd naar de voorkamer getild. Daar had men nog slechts “een sijckie of twee” (enkele zuchten) van Engle gezien. Vervolgens was Engle overleden.

Het was een drama geworden daar in die herberg in Duurswoude. Het gerecht werd geïnformeerd. Men ontdekte een steekwond in de linkerborst van Engle. De andere aanwezigen werden gehoord. Uit de verklaringen concludeerde het gerecht dat alleen Hermen Freerks en Engle speelman een mes hadden getrokken. Volgens de officier was Hermen Freerks naar Drenthe gevlucht. In maart van het jaar 1641 was hij middels een bevel opgeroepen om 30 maart van dat jaar voor het Hof van Friesland te verschijnen. Hermen was niet echter verschenen. Uit dit alles, de ruzie over de viool, het mes, het gevecht  en de “vlucht” concludeerde men dat Hermen de enige schuldige aan de moord op Engle speelman was. Een klein jaar later stond Hermen Freerks alsnog op de rol van het Hof. De strafeis van de klager (officier van justitie) was de doodstraf.

Hermen Freerks was intussen ook verhoord en hij kwam met een compleet afwijkende verklaring. Ja  …, hij was in de herberg geweest en ja …., hij was beschuldigd door Engle. Maar Hermen had geantwoord dat als er ook maar iemand van de aanwezigen verklaarde te hebben gezien dat hij de viool had kapot gemaakt dat hij dan een nieuwe viool aan Engle zou geven of dat hij anders de schade dubbel zou vergoeden. Daarop was Hielke Luitjes opgestaan en deze had hem, Hermen, zodanig in het gezicht gestompt dat het bloed hem uit mond en neus liep. Toen was Engle ook nog eens verschenen met een mes in de hand. Hermen zei dat hij zelf helemaal geen mes had getrokken. Bovendien kon hij niet eens een mes met zijn rechterhand vasthouden, die rechterhand was lam. Hermen had luid geroepen dat hij geen mes had en dat het “geen  eere was dat men een lam man mettet mes solde aanvechten”.  Hermen was als gevolg van de stomp van Hielke en de aanval door Engle bij het open vuur op de grond beland. Hij was geholpen door de waardin en diens dochter. Daarna was het wel twee of drie uur rustig geweest. Er was gespeeld, gedronken en men was vrolijk geweest. Door de anderen dan wel te verstaan, Hermen zelf had al die tijd “bedroefd en schreijende” stil gezeten in een hoek van de kamer, verdrietig omdat hij niet in staat was zichzelf te beschermen.

Hermen ontkende ook ten stelligste Engle met een mes te hebben gestoken.  Hij had slechts één keer ruzie met Engle gehad en dat was direct nadat Hielke hem had geslagen. Hij had niets eens een mes, laat staan ermee gestoken. Wie Engle dan wel had gestoken, dat wist hij niet, hij zat ver bij de anderen vandaan. Toen Hermen de kamer verliet was Anne Liekeles ook al binnen, hij was zeker niet langs Anne door de deuropening geschuifeld.  Bovendien was hij niet gevlucht, hij was in de morgenstond terug gegaan naar Vriens (Vries) in Drenthe waar hij woonde. Hij had Friesland ook nooit gemeden. Van het bevel om te verschijnen voor het Hof van Friesland wist hij niets. Op dat moment werkte hij in de Peekel veenen en was dus niet thuis.

Dat was de informatie waarmee de rechtbank het moest doen. Op zo’n moment is het jammer dat de bijlagen bij deze strafzaak niet bewaard zijn. De rechtbank heeft ze natuurlijk wel gezien. De verklaringen van de getuigen zijn waarschijnlijk niet eenduidig geweest. Het  blijft de vraag wat men, bij het licht van misschien enkele kaarsen, precies heeft gezien. Misschien was men anderszins ook wel enigszins beneveld.

Voor het Hof was het allemaal niet voldoende. Hermen Freerks werd op 18 februari 1642 “geabsolveert ab instantia”, hij werd dus vrijgesproken.

, , , , , , , , , , , , , , ,

Geef een reactie

Volg

Get every new post delivered to your Inbox.