Nageslacht van Engbert Dirks, molenaar

Van der Molen, Van der Meulen, achternamen die door het nageslacht van Dirk Folkerts worden gebruikt en niet zonder reden. Lange tijd, in de 17e en 18e eeuw, waren zijn familieleden molenaar, in Burgum, Kollumerzwaag, Cornjum/Jelsum, Twijzel, Rottevalle, Beetsterzwaag, Sumar, Duurswoude, Ureterp en nog andere plaatsen. In het jaar 1685 zei Jan Hattums in Haule aan Dirk Folkerts de huur van de molen op. Met Haule wordt hier waarschijnlijk Ouwsterhaule bedoeld. In die plaats vinden we ook diverse familieleden terug als molenaar. Kopen, verkopen, huren, ze waren ook in Doniawerstal actief. De familie van der Molen / Meulen is uitvoerig beschreven door Hooghiemstra. Het lijkt alsof Ouwsterhaule later niet meer als woonplaats in de familie voorkomt.

Dat is echter niet juist, daar ontstond een andere tak in het nageslacht van Dirk Folkerts. Uit zijn tweede huwelijk met Ietje Engberts werd in 1690 een zoon Engbert Dirks geboren in Ureterp. Ik ging er eerst van uit dat van deze Engbert Dirks niets terug te vinden was. Totdat ik een akte uit 1758 in een proclamatieboek van Opsterland inzag waarbij Hiltje Engberts, de echtgenote van de dorprechter en huisman Fooke Theunis, in Ureterp goederen kocht van Dirk, Haitze en Meine Engberts, gebroeders, wonende te Wartena en Knijpe, mandelig (in gemeenschappelijk bezit) met de koopster en met Coop Remmelts en de zijnen. Inwoners van Wartena en Knijpe hadden dus bezit in Ureterp. Zoeken naar de doop van deze mannen leverde een vermelding op in Ouwsterhaule. Ze werden daar tussen 1724 en 1731 gedoopt als kinderen van Engbert Dirks en Fokje Meines, die daar in 1723 waren getrouwd. Bovendien lieten ze in die periode nog een dochter Ietje dopen.

Toen viel voor mij het kwartje, dit was Engbert, de zoon van Dirk Folkerts en Ietje Engberts uit Ureterp. Engbert werd in 1724 als molenaar vermeld bij een doopinschrijving. De molen in Ouwsterhaule bleef dus nog enige tijd in gebruik bij het nageslacht van Dirk Folkerts. De kinderen woonden, zoals blijkt uit het proclamatieboek, later in Warga en Knijpe. Het is niet eenvoudig om ze verder te volgen, de DTB werd soms slecht bijgehouden, zodat er allerlei belangrijke data niet terug zijn te vinden. Toch heb ik een poging gedaan om ze in elk geval tot aan het jaar 1811 te volgen. Met meer en minder succes.

Zoon Dirk Engberts trouwde in Warga met Fetje Bruins, die waarschijnlijk doopsgezind was. Van Dirk en Fetje heb ik verder niets terug gevonden. Haitze en Meine woonden in Schoterland, Oranjewoud en Knijpe. Groot werd de familie niet. De kinderen van Haitze gebruikten de achternaam Haitsma, hoewel ze als Haarsma werden ingeschreven in het register van naamsaanneming. Een verkeerde inschrijving in de Burgerlijke stand zorgde ook voor verwarring. De dochters van Meine zorgden voor nageslacht met de achternamen Hooisma en De Wagt. Voor zover ik heb kunnen nagaan is er geen nageslacht meer in de mannelijke lijn, maar wie weet ……………… misschien duikt er nog eens eentje op in de archieven.

Haitze Winkelman

Haitze Winkelman

Tegenslag trof dit nageslacht soms ook, de armoede sloeg toe en Ommerschans kwam in beeld (Haitze Haitsma en de familie Davids), een enkeling verdween spoorloos (dezelfde Haitze Haitsma, die ook nog voor de krijgsraad in Noord-Holland moest verschijnen). De krant haalden ze niet, behalve Haitze (Yze) Winkelman (Lippenhuizen 1831 (niet 1821, zoals vermeld in GJB 1995) – 1907 Groningen (AZG)), overigens geen direct nageslacht, die alles verkocht wat hij had en de hort op ging terwijl zijn vrouw in Leiden verbleef. Leiden, de plaats waar een vrouwengevangenis stond. Eind 19e eeuw dook deze Haitze weer op in Norg (Veenhuizen), hij was als landloper opgepakt in Utrecht. Via Drenlias (Veenhuizen) kan een signalement, inclusief foto’s van Haitze worden gevonden.

Zoals altijd, veel weten meer dan één, reacties, verbeteringen en aanvullingen zijn welkom.

Mijn poging om een genealogie van Engbert Dirks op te stellen is als pdf-bestand bij dit bericht gevoegd, klik hier.

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Doetje Melles erfgenamen

In de 18e eeuw leefde het echtpaar Jan Jelles en Antje Lieuwes in de grietenij Opsterland, eerst in Terwispel en vanaf 1761 in Beets, hoewel ze daar in 1758 ook al een kind lieten dopen. Jan Jelles overleed in 1802 of 1803 in Beets, waarschijnlijk in februari 1802 en Antje Lieuwes overleed op 5 september 1811, ook in Beets. Ze was toen boerin en de overlijdensaangifte werd gedaan door zoon Lieuwe uit Beets en schoonzoon Molle Douwes uit Beetsterzwaag. Jan en Antje kregen maar liefst dertien kinderen van wie er slechts één jong overleed, de andere twaalf kinderen werden volwassen. Jan en Antje hebben een groot nageslacht nagelaten, ook mijn echtgenote behoort daar via de Welling – lijn bij. Hun kinderen droegen een aantal verschillende achternamen: Van der Bij, Jellema, Welling, Mulder en Brantsma. Ook Docter komt nog voor, maar dat is meer een afgeleide van de aangetrouwde kant.

In dit blog is het tiende kind, dochter Trijntje Jans, de hoofdpersoon. Ze werd in 1765 geboren in Beets en overleed in Suameer tussen 1790 en 1794. Op diverse websites wordt haar overlijden vermeld in 1816 in Kortezwaag/Langezwaag. Waar dat op gebaseerd is ? Die Trijntje Jans was weduwe van Freerk Tjallings Landmeter en een dochter van Jan Fokes en Wietske Sikkes, het staat duidelijk in de overlijdensakte.

Trijntje Jans, dochter van Jan Jelles en Antje Lieuwes trouwde in 1787 in Suameer met Melle Walters Kroon. Zoals geschreven, Trijntje overleed vóór 1794. Melle maakte op 27 januari 1794 een testament en benoemde zijn dochtertje Doetje, geboren in 1788, tot erfgenaam. Hij bepaalde tevens in het testament dat als Doetje kinderloos zou komen te overlijden de goederen afkomstig van Melle zouden vererven op zijn zuster Hielkje Walters en haar man Folkert Annes (Fennema). Melle Walters Kroon overleed al gauw nadat hij zijn testament had opgemaakt, in 1794 werden er al curatoren benoemd over dochter Doetje. Zijn dochter en erfgenaam Doetje overleed in 1795. Doetje had nog een jonger zusje, Antje Melles Kroon, geboren in 1789, maar die wordt nergens meer vermeld en zal dan ook jong zijn overleden.

Zoals wel vaker gebeurt als er een erfenis te verdelen is, er kwam onenigheid. Al op 25 november 1795 lag er een verzoekschrift bij het Hof van Friesland. Daarin stelden Jan Jelles en Antje Lieuwes in Beets dat ze erfgenamen ab intestato (wegens ontbrekend testament) waren van hun kleindochter Doetje Melles. Ze wilden rekening en bewijs van alle goederen die Doetje had geërfd. De beide voormonden van Doetje, zijnde Albert Jelmers en Jelke Hedzers, beiden huisman te Suameer, waren echter niet genegen die rekening etc. te leveren. Op 9 december 1795 werd Bocheus Slothouwer door het Hof benoemd tot commissaris met de opdracht de partijen voor zich te roepen en als het mogelijk was de zaak in der minne te schikken.

In januari 1796 lag er een nieuw verzoekschrift bij het Hof van Friesland. Daarin stelden Folkert Annes en Hielkje Walters echtelieden te Suameer dat ze volgens testament fideï-commissaire erfgenamen waren van wijlen Melle Walters Kroon. Immers, diens dochter Doetje was intussen ook kinderloos overleden, waardoor Melles testament moest worden gevolgd. Doetjes erfgenamen ab intestato waren dan ook verplicht inventaris etc. van de goederen te leveren. Maar daartoe waren die erfgenamen niet genegen. Daarom verzochten Folkert en Hielkje om een commissaris namens het Hof te benoemen die voor zich zou roepen Jan Jelles en Antje Ates (sic!) echtelieden te Beets benevens hun kinderen Lieuwe Jans, Ate Jans en Sjoukje Jans, alle drie meerderjarig en ongetrouwd, Jelle Jans en Jeen Jans beide te Ureterp, Leukje Jans gesterkt met haar man Jouke Jans in Gorredijk, Lutske Jans gesterkt met haar man Egbert Jans aldaar, Hendrik Jans in Drachten, Tjeerd Jans te Duurswoude, Wijtze Jans meester smid te Oudega en Froukje Jans weduwe van Gerrit Hinkes, in de Gorredijkster compagnie woonachtig. Op 5 februari 1796 werd Gerlacus Buma door het Hof tot commissaris benoemd, ook met de opdracht om zo mogelijk de zaak te schikken.

verzoekschrift Jan Jelles

verzoekschrift Jan Jelles

Hoe het is afgelopen vermelden mijn bronnen niet. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft deze zaak de civiele rol van het Hof van Friesland niet gehaald. Het geheel zal waarschijnlijk wel een vervolg hebben gekregen en zijn opgetekend in de Nedergerechtarchieven van Tytsjerksteradiel. Wie meer weet, laat het even weten.

Voor de volledigheid heb ik een pdf-bestand met de gezinsstaat van Jan Jelles en Antje Lieuwes aan dit blog gekoppeld, klik hier.

_____________

Vanaf nu zijn updates voor deze site ook te volgen via Twitter, waar ik ben te vinden als @Sneupersarchief

__________

, , , , , , , , , , , , , , , , , ,

1 reactie

Tragische afloop

In Ureterp had men in de laatste helft van de 18e eeuw een schoolmeester die lang zijn werk bleef doen. Dat was Lieuwe Eeuwes, geboren in 1710. In 1742 werd hij aangesteld en komt diverse malen voor in de kerkvoogdijrekeningen. In 1795 kwam er dan toch een einde aan de dienst van Lieuwe, hij ging op 85-jarige leeftijd met pensioen. Behalve schoolmeester was Lieuwe ook koster, klokluider en voorzanger in de kerk. Op 8 november 1795 werd hij voor het laatst betaald voor kerkedienst en op 19 februari 1796 ontving de kerkvoogdij de penningen uit de collectezak bij de begrafenis van Lieuwe. Na het terugtreden in 1795 moest er een nieuwe schoolmeester, tevens voorzanger in de kerk worden benoemd. Bauke Johannes naam zolang de kerkedienst waar.

Er werd op 25 april 1795 een advertentie in de krant geplaatst. Op 7 juni 1795 konden kandidaten zich melden in Ureterp. Waarschijnlijk heeft die eerste poging geen goede kandidaat opgeleverd want op 22 oktober 1796 verscheen er opnieuw een advertentie, nu ook in de Ommelander Courant. De schoolmeester had recht op een traktement van 200 gulden per jaar, op een vrije woning en andere emolumenten. Men moest een “Weldenkende Vaderlandslievende burger” zijn met voldoende bekwaamheid in lezen, zingen, schrijven en rekenen. Kandidaten konden zich op de zondagen 23 en 30 oktober en op zondag 6 november melden. De zondag was daarvoor een geschikte dag want dan konden de kandidaten alvast even voorzingen in de kerk. In een orgelloos tijdperk was het van belang dat de meester als voorzanger geen valse noten zong.

Deze keer lukte het en Jelle Hagenauw, tot dan schoolmeester in Scharmer in de provincie Groningen, werd benoemd. Jelle was in 1774 geboren in Kolham als zoon van Willem Pieters Hagenauw en Hendrikje Jelles. Op 12 februari 1797 werd hij al lidmaat in Ureterp ingeschreven. Op diezelfde dag begon zijn dienst. Op 31 december van dat jaar trouwde hij met Engeltje Sophias, een dochter van Sophias Iebeles en Lutske Theunis. Engeltje overleed op 22 januari 1804, kinderloos. In 1809 hertrouwde Jelle met Sietske Sophias Looijinga, een zuster van zijn eerste vrouw, met toestemming van het gerecht. Uit dit tweede huwelijk werden zes kinderen geboren: Sophias (1809-1895), Hendrikje (1810-1852), Lutske (1812-1855), Willem (1814-1890), Engeltje (1817-1820) en Pietertje (1819-1868). De jongste dochter was zwakbegaafd en is in Franeker overleden.

Jelle Hagenauw bleef niet onderwijzer. In mei 1812 gaf hij er de brui aan en werd belastinggaarder. Nadien wordt hij nog vermeld als koopman en bij zijn overlijden in 1820 was hij boer. In 1832 woonde weduwe Sietske in de Wegburen van Ureterp samen met haar kinderen. Je kunt die woning plaatsen zo ongeveer waar vroeger de bakkerij van Zuiderbaan was, nu (2014) is dat een appartementenflat.

woning Hagenauw 1832

woning Hagenauw 1832

In het jaar 1852 voltrok zich een tragedie in het gezin. Dochter Hendrikje overleed op dinsdag 12 oktober van dat jaar. Haar stoffelijk overschot stond opgebaard in de voorkamer. Op vrijdag 15 oktober ging een zoon, Sophias of Willem ’s morgens vroeg aan het werk, zo tegen 5 uur. Hij zou toen tegen zijn zuster Pietertje hebben gezegd dat ze het vuur (de kachel) moest aanmaken. Pietertje had echter geen vuur in de haard gemaakt maar in het bed. Moeder Sietske was intussen weer in slaap gesukkeld. De woning raakte door het vuur in brand. Door het vroege uur was er zo gauw geen hulp beschikbaar. Alleen de schuur en de achterkamer konden worden behouden. Ook de voorkamer waarin de lijkkist stond brandde geheel uit, inclusief de kist, waarvan slechts “weinige overblijfselen” restten. De zwakbegaafde dochter Pietertje kwam later uit de schuur tevoorschijn.

Je mag wel spreken van een grote tragedie die de familie Hagenauw is overkomen. Het gebeuren rondom die brand moet traumatisch zijn geweest, iets wat je niemand toewenst.

Er is geen nageslacht meer van het gezin van Jelle Hagenauw. Vrouw Sietske overleed in 1855 evenals dochter Lutske. Engeltje werd maar 3 jaar, ze overleed in 1820. Zoals geschreven overleed Pietertje in 1868 in Franeker. De beide zonen bleven achter. Ze woonden later in De Wilp onder Siegerswoude, waar ze beiden overleden, Willem in 1890 en Sophias in 1895. Alle kinderen bleven ongehuwd.

, , , , , , , , ,

Een reactie plaatsen

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.